is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23 Toen dan den volgenden dag Agrippa en Bernice gekomen waren met grote praal en de gehoorzaal waren binnengegaan met de oversten en de mannen, die de voornaamsten der stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht.

24 En Festus zeide: Koning Agrippa en gij allen, die met ons hier aanwezig zijt, gij ziet hier iemand, ter zake van wien de gehele menigte der Joden zich te Jeruzalem en hier tot mij gewend heeft, roepende, dat hij niet langer moest blijven leven.

25 Maar het bleek mij, dat hij geen halsmisdaad had gepleegd en daar hij zelf zich op Zijne Majesteit beriep, besloot ik hem op te zenden.

26 Maar ik heb niets stelligs over hem aan mijn heer te schrijven; daarom heb ik hem vóór u laten komen, en voornamelijk vóór ü, koning Agrippa, om, nadat het onderzoek heeft plaats gehad, iets te kunnen schrijven;

27 want het dunkt mij ongerijmd, als men een gevangene opzendt, ook niet de punten van beschuldiging tegen hem kenbaar te maken.

23 Toen dan Agrippa en Bernice den volgenden dag met groot praalvertoon gekomen waren en met de oversten en aanzienlijksten der stad de gehoorzaal waren binnengegaan, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht.

24 En Festus sprak: Koning Agrippa en gij allen die hier met ons aanwezig zijt, gij ziet dezen man, tegen wien de gansche gemeenschap der Joden, zoowel te Jeruzalem als hier, bij mij optrad, onder het geschreeuw, dat hij niet langer mocht leven.

25 Maar ik bevond, dat hij niets had bedreven, dat den dood verdient; doch daar hij zelf een beroep deed op Augustus, heb ik uitspraak gedaan, dat hij zal worden opgezonden.

26 Nu heb ik den heer niets zekers over hem te schrijven. Daarom heb ik hem hier in uw tegenwoordigheid laten voorbrengen, bovenal in tegenwoordigheid van u, koning Agrippa, opdat ik, na gehouden onderzoek, iets hebbe te schrijven.

27 Want het komt mij ongerijmd voor een gevangene op te zenden en niet tevens de beschuldigingen die tegen hem worden ingebracht, aan te geven.

1 En Agrippa zeide tot Paulus: Gij hebt verlof, uw zaak te bepleiten. Toen strekte Paulus zijn hand uit en begon tot zijn verdediging te zeggen:

2 Koning Agrippa, ik acht mij gelukkig, dat ik mij omtrent alles waarvan ik door Joden beschuldigd word, heden voor u mag verantwoorden;

3 immers gij zijt bij uitstek een kenner van al de Joodsche zeden en twistvragen; daarom verzoek ik u, mij geduldig aan te hooren.

4 Al de Joden kennen mijn levenswandel van kindsbeen af, zooals ik dien van den beginne aan, te midden van mijn volk en te Jeruzalem, heb geleid;

5 en zij zijn, indien zij maar wilden getuigen, van mijn jeugd af met mi|' bekend: dat ik namelijk naar de meest strenge richting van onzen godsdienst als Farizeër heb geleefd.

6 En nu sta ik voor het gerecht, omdat ik hoop op de vervulling der belofte welke door God aan onze vaderen is gedaan,

Paulus voor Festus en Agrippa.

23 De volgende dag kwamen dan Agrippa en Bernike met grote praal, en in begeleiding van de krijgsoversten en van de aanzienlijkste mannen der stad, de gehoorzaal binnen, en werd op Festus' bevel ook Paulus binnengebracht.

24 En Festus sprak: Koning Agrippa, en gij allen, die hier tegenwoordig zijt: gij ziet hier den man, over wien het ganse volk der joden zich bij mij is komen beklagen, te Jerusalem en hier, en luid heeft geschreeuwd, dat hij niet langer mocht leven.

25 Maar ik heb bevonden, dat hij niets heeft bedreven, dat de doodstraf verdient. Daar hij zich echter op Cesar heeft beroepen, heb ik besloten, hem op te zenden.

26 Maar nu weet ik eigenliik niets bepaalds over hem aan den heer te berichten. Daarom heb ik hem voor u allen gebracht, en vooral voor u, koning Agrippa, om na afloop van het verhoor te weten, wat ik schrijven moet.

27 Want het lijkt me onzinnig, een gevangene op te zenden, en niet op te geven, waarvan hij beschuldigd wordt.

Paulus' zelfverdediging voor Festus en Agrippa. 1 Nu sprak Agrippa tot Paulus: Ge hebt verlof, u te verdedigen. Toen strekte Paulus zijn hand uit, en sprak te zijner verdediging:

Paulus'

verantwoording voor Agrippa. 1 En Agrippa zeide tot Paulus: 26 Het is u vergund voor uzelf te spreken. Toen strekte Paulus zijn hand uit en verantwoordde zich:

2 Ik acht me gelukkig, koning Agrippa, dat ik heden in de gelegenheid ben, mij voor u te rechtvaardigen op alle punten, waarvan ik door de joden beticht word;

3 en dit des te meer, omdat ge alle gebruiken en strijdvragen der joden kent. Daarom bid ik u, mij geduldig aan te horen.

4 Wat mijn vroeger leven betreft, dat is aan alle joden bekend, daar ik het van jongsaf aan onder mijn volk te Jerusalem heb doorgebracht.

5 Ze weten, als ze het maar willen getuigen, dat ik van de aanvang af naar de strengste richting van onze godsdienst als farizeër heb geleefd.

6 En thans sta ik terecht om de verwachting van de Belofte, die God aan onze vaderen deed,

2 Ik heb mijzelf gelukkig geacht, koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal mogen verantwoorden over alle punten, waarop ik door de Joden word beschuldigd,

3 daar gij vooral een kenner zijt van alle gewoonten en twistpunten bij de Joden: daarom verzoek ik u mij geduldig te willen aanhoren.

4 Mijn leven dan van jongsaf, dat ik van den beginne aan geleid heb onder mijn volk te Jeruzalem, kennen alle Joden,

5 daar zij sedert langen tijd van mij weten, indien zij het slechts willen getuigen, dat ik naar de meest nauwgezette partij van onzen godsdient, als Farizeeër geleefd heb.

6 En nu sta ik voor het gerecht om mijn hoop op de belofte, die door God aan de vaderen gedaan ls;

7 en die ons volk der twaalf stammen hoopt te verkrijgen, terwijl het vurig dag en nacht God dient. Op grond van die verwachting nu word ik, o koning, door Joden beschuldigd !

8 In hoever acht gij het ongelooflijk, dat God dooden opwekt?

7 en wier vervulling onze twaalf stammen vol hoop tegemoet blijven zien, door God dag en nacht met ijver te dienen. Om die verwachting', o koning, word ik door de joden beschuldigd.

8 Wat ongelovigs vindt gij er in, dat God doden doet verrijzen?

9 Hoe dit zij, ik voor mij heb gemeend, tegen den naam van Jezus den Nazoreër vele vijandige daden te moeten ondernemen.

9 Om op mijzelf terug te komen: ik meende dus, dat het mijn plicht was, zeer vijandig op te treden tegen de naam van Jesus van Nazaret.

7 welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken. Om deze hoop, o koning, word ik door Joden aangeklaagd.

8 Waarom wordt het bij u ongelofelijk geacht, als God doden opwekt?

9 Ik voor mij was tot de slotsom gekomen, dat ik tegen den naam van Jezus, den Nazoreeër, fel moest optreden,