is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10 Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe.

11 En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buitenlandsche steden.

12 Waarover ook als ik naar Damaskus reisde, met macht en last, welke ik van de overpriesters had,

13 Zag ik, o koning! in het midden van den dag, op den weg een licht, boven den glas der zon, van den hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende.

Hand. 9 : 3.

14 En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik eene stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwsche taal: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij ? Het is u hard, tegen de prikkels de verzenen te slaan.

15 En ik zeide: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.

16 Maar richt u op, en sta op uwe voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen;

17 Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zende;

18 Om hunne oogen te openen, en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des Satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.

Jes. 60 : l.

19 Daarom, o koning Agrippa! ben ik dat hemelsch gezicht niet ongehoorzaam geweest;

20 Maar heb eerst dengenen, die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het geheele land van Judéa, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeeren, werken doende der bekeering waardig.

Hand. 9 : 19, 28. 22 : 17, 21.

21 Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tempel gegrepen, en gepoogd om te brengen. Hand. 21 : 30.

22 Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude:

23 Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der dooden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.

24 En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met groote stem: Gij raast, Paulus! de groote geleerdheid brengt u tot razernij!

10 zooals ik te Jeruzalem gedaan heb, toen ik velen van de heiligen in de gevangenis sloot, waartoe ik van de Hoogepriesters de volmacht ontving; en als zij gedood werden, keurde ik het goed;

11 en in alle synagogen strafte ik hen dikwijls, en dwong hen te lasteren, en woedde bovenmate tegen hen, en vervolgde hen ook in de vreemde steden.

12 Toen ik nu deswege ook naar Damaskus reisde, met volmacht en bevel van de Hoogepriesters,

Hand. 9 : 3—16. '22 : 6—21.

13 zag ik, o koning, op het midden van den weg een licht van den hemel, klaarder dan de glans der zon, mij en die met mij reisden omschijnen;

14 en toen wij allen ter aarde nedervielen, hoorde ik eene stem tot mij spreken, die in het Hebreeuwsch zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? Het zal u hard vallen tegen den prikkel achteruit te slaan.

15 En ik zeide: Heer, wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt.

16 Maar richt u op en sta op uwe voeten; want daartoe ben ik u verschenen, opdat ik u stelle tot een dienaar en getuige van hetgeen gij gezien hebt en van hetgeen ik u nog zal laten verschijnen;

17 en ik zal u verlossen van dit volk en van de heidenen, tot welke ik u nu zend,

18 om hunne oogen te openen, dat zij zich bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God, om te ontvangen vergeving der zonden, en een erfdeel met degenen, die geheiligd worden door het geloof in mij.

Hand. 20 : 32. Col. 1 : 12—l*.

19 Daarom, koning Agrippa, was ik aan deze hemelsche verschijning niet ongehoorzaam,

20 maar verkondigde, eerst aan degenen die te Damaskus en te Jeruzalem en in het geheele land van Judéa waren, en toen ook aan de heidenen, dat zij zouden boete doen, en zich tot God bekeeren, en oprechte werken der boete doen.

Hand. 9 : 20, 28, 29.

21 Daarom hebben de Joden mij in den tempel gegrepen, en gepoogd mij te dooden.

Hand. 21 : 27, 30.

22 Maar hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, en betuig beiden, kleinen en grooten, zonder iets te zeggen wat niet ook de Profeten en Mozes gezegd hebben, dat geschieden zou:

Hand. 17 : 2, 3.

23 dat de Christus zou lijden, en, de eerste uit de opstanding der dooden zijnde, een licht zou verkondigen aan dit volk en aan de heidenen.

24 Toen hij nu dit tot verantwoording sprak, riep Festus met een luide stem: Paulus, gij raast, de groote geleerdheid voert u tot razernij.

10 Dit deed ik dan ook te Jeruzalem: op daartoe van de overpriesters verkregen volmacht sloot ik vele der heiligen in de gevangenis, en als zij werden omgebracht, keurde ik het goed;

11 ook dwong ik hen vaak, door hen in alle synagogen te kastijden, godslasterlijke dingen te zeggen, en bovenmate tegen hen woedend, vervolgde ik hen zelfs in buitenlandsche steden.

12 Hiertoe reisde ik eens, met een volmacht en opdracht van de overpriesters, naar Damaskus,

13 toen ik op klaarlichten dag op den weg, o koning, aan den hemel een licht zag dat de zon in glans overtrof en mij en hen die met mij waren omstraalde.

14 Toen wij allen op den grond neergevallen waren, hoorde ik een stem die tot mij in het Hebreeuwsch zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? Het doet u pijn tegen de prikkels achteruit te slaan.

15 Ik zeide: Wie zijt gij, Heer? De Heer zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt.

16 Maar richt u op en sta op uw voeten; want hiertoe ben ik u verschenen, omdat ik u bestemd heb tot een dienaar en getuige van hetgeen gij gezien hebt en van hetgeen gij nog van mij zult zien.

17 Ik verkies u uit het volk en de heidenen, tot wie ik u zend,

18 om hun oogen te openen, hen te bekeeren van de duisternis tot het licht en van de macht des Satans tot God; opdat zij door het geloof in mij vergiffenis van zonden ontvangen en een erfdeel onder de geheiligden.

19 Daarom, koning Agrippa, was ik niet ongehoorzaam aan die hemelsche verschijning,

20 maar verkondigde eerst aan hen die te Damaskus, te Jeruzalem en in geheel Judea waren, en ook aan de heidenen, dat zij zich moesten bekeeren en zich tot God wenden door het doen van werken die bij de bekeering passen.

21 Om die reden hebben de Joden mij in den tempel gegrepen en getracht om te brengen.

22 Maar God heeft mij tot dezen dag toe geholpen, en zoo sta ik hier, aan klein en groot getuigenis afleggend; waarbij ik niets anders leer dan wat de profeten en Mozes gezegd hebben:

23 Dat de Christus moest lijden en als de eerste die uit de dooden is opgestaan een licht zou aankondigen aan het volk en aan de heidenen.

24 Toen hij zich zoo verdedigde, barstte Festus los: Gij raaskalt, Paulus, uw groote geleerdheid brengt u tot waanzin.