is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande hen Paulus,

10 En zeide tot hen: Mannen! ik zie, dat de vaart zal geschieden met hinder en groote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven.

11 Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper, dan hetgeen van Paulus gezegd werd.

12 En alzoo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerderdeel geraden ook van daar te varen, of zij eenigszins te Fenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde eene haven in Kreta, strekkende tegen het zuidwesten en tegen het noordwesten.

13 En alzoo de zuidenwind zachtelijk waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben, en afgevaren zijnde, zeilden zij dicht voorbij Kreta henen.

en de vaart gevaarlijk was, omdat ook de Vasten alreeds voorbij was, vermaande Paulus hen

10 en zeide tot hen: Mannen, ik zie, dat de vaart geschieden zal met hinder en groote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven.

11 Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper, dan hetgeen Paulus zeide.

12 En daar de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerendeel van hen geraden van daar te varen, of zij misschien te Fenix konden komen om te overwinteren, hetwelk is eene haven van Kreta, tegen het Zuidwesten en Noordwesten.

In den storm.

13 En daar de Zuidenwind waaide, en zij meenden, dat zij nu hunnen wensch verkregen hadden, voeren zij af en zeilden dicht voorbij Kreta heen.

was en de scheepvaart gevaarlijk werd, omdat de vasten reeds voorbij was, waarschuwde Paulus hen:

10 Mannen, ik zie dat het roekeloosheid is verder te gaan en wij veel schade zullen lijden, niet alleen aan lading en schip, maar zelfs zoo dat ons leven gevaar loopt.

11 Doch de officier gaf meer gehoor aan den stuurman en den kapitein dan aan de woorden van Paulus,

12 en omdat de haven ongeschikt was er te overwinteren, vonden de meesten het geraden van daar af te varen om zoo mogelijk Fenix te bereiken, een haven van Kreta, die naar het zuidwesten en het noordwesten open is om daar te overwinteren.

13 Daar een zachte zuidenwind woei, meenden zij dit voornemen te kunnen volvoeren, lichtten het anker en zeilden langs Kreta.

De stormwind.

14 Maar niet lang daarna, sloeg tegen hetzelve een stormwind, genaamd Euroklydon.

15 En als het schip daarmede weggerukt werd, en niet kon tegen den wind opzeilen, gaven wij het op, en dreven heen.

16 En loopende onder een zeker eilandje, genaamd Klauda, konden wij nauwelijks de boot machtig worden.

17 Dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpselen, het schip ondergordende; en alzoo zij vreesden, dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil, en dreven alzoo heen.

18 En alzoo wij van het onweder geweldelijk geslingerd werden, deden zij den volgenden dag eenen uitworp;

19 En den derden dag wierpen wij met onze eigene handen het scheepsgereedschap uit.

20 En als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen en geen klein onweder ons drukte, zoo werd ons voorts alle hoop van behouden te worden benomen.

21 En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zeide: O mannen! men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben;

22 Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip.

23 Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een engel Gods, Wiens ik ben, Welken ook ik dien,

24 Zeggende: Vrees niet, Paulus! gij moet voor den Keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen.

14 Maar niet lang daarna verhief zich vandaar een stormwind, dien men Noord-Oost noemt.

15 En toen het schip voortgerukt werd, en niet tegen den wind kon opzeilen, gaven wij het op en dreven zoo heen.

16 En wij kwamen aan een eiland genaamd Klauda, en konden nauwelijks de boot machtig worden.

17 Die haalden zij op, gebruikten alle hulpmiddelen, en ombonden het schip; want zij vreesden, dat zij op de Syrtis zouden vervallen; en zij streken het zeil en dreven zoo heen.

18 En daar wij geweldig door den storm geslingerd werden, deden zij des anderen daags een uitworp [der lading],

19 en op den derden dag wierpen wij met onze eigene handen het gereedschap van het schip uit.

20 En daar in vele dagen noch zon noch sterren verschenen, en een niet geringe storm aanhield, zoo was ons alle hoop op behoud ontnomen.

21 En toen men in langen tijd niet gegeten had, trad Paulus in het midden van hen, en zeide: Mannen, men moest mij gehoor gegeven hebben en niet van Kreta afgevaren zijn, en dit leed en deze schade verhoed hebben.

22 Doch nu vermaan ik u, dat gij onversaagd zijt; want het leven van niemand onzer zal verloren gaan, maar alleen het schip.

23 Want dezen nacht heeft bij mij gestaan een Engel van den God, wiens ik ben, en dien ik dien;

Hand. 23 : 11.

24 en hij zeide: Vrees niet, Paulus, gij moet vóór den keizer gesteld worden; en zie God heeft u geschonken allen, die met u varen.

Schipbreuk.

14 Maar niet lang daarna sloeg van daar een stormwind neer, de zoogenaamde Euraquilo.

15 Die dreef het schip voort; wij konden tegen den wind niet op en lieten ons zonder weerstand te bieden drijven.

16 Gekomen onder de beschutting van zeker eilandje, Klaude geheeten, konden wij met moeite de boot machtig worden;

17 men haalde ze op en trachtte zich te redden door het schip te ondergorden. Uit vrees van op de Syrtis te vervallen, haalde men het tuig neer en liet zich zoo drijven.

18 Toen wij door den storm hevig geteisterd werden, wierpen zij den volgenden dag een deel der lading overboord,

19 en den dag daarna gooiden zij met eigen hand het scheepsgereedschap in zee.

20 Daar verscheiden dagen lang zon noch maan te zien was en een geweldige storm ons bestookte, werd ons alle hoop op redding benomen.

21 Toen men geruimen tijd zonder eten gebleven was, ging Paulus in hun midden staan en zeide: Mannen, men had mij gehoor moeten geven en niet van Kreta zijn vertrokken; dan zou deze roekeloosheid en schade voorkomen zijn.

22 Maar nu vermaan ik u moed te houden; want geen van u zal zijn leven verliezen; alleen het schip is verloren.

23 Want van nacht stond bij mij een engel van den God wien ik toebehoor en dien ik vereer;

24 hij zeide: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer staan, en zie, God heeft u geschonken allen die met u op het schip zijn.