Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERT. PROF. BROUWER

HANDELINGEN 27

VERT. PETR. CANISIUS NIEUWE VERT.

10—27 : 24 N. B. G.

)! pen en de vaart reeds gevaarlijk was, omdat zelfs de vastentijd reeds was verstreken, waarschuwde Paulus hen,

10 en zeide: Mannen, ik zie, dat de vaart zal plaats vinden met averij en tot groote schade, niet alleen voor de lading en het schip, | maar ook voor ons leven.

. 11 Doch de hopman hechtte meer j geloof aan den gezagvoerder en j den eigenaar dan aan Paulus' | woorden.

12 En daar de haven niet goed ] gelegen was voor een overwinte| ring, ried de meerderheid aan, om \ vandaar af te varen, en te trach-

!ten, of men misschien Poenix kon bereiken, een haven van Kreta, die naar het zuidwesten en noordwesten open ligt, ten einde daar i te overwinteren.

' 13 Daar er een zachte wind uit > het zuiden woei, meenden zij van i hun doel zeker te zijn; en na het j anker gelicht te hebben, voeren i zij vrij dicht langs Kreta heen.

>| 14 Doch het duurde niet lang, of i er stortte zich van het eiland een •j wervelstorm neer, een zoogenaam, de Euraquilo.

i 15 En daar het schip meegesleurd j werd en den kop niet in den wind : kon houden, gaven wij het op en I lieten ons drijven.

16 Toen wij nu in volle vaart onder de beschutting van een klein

: eilandje, Klauda genaamd, gelooi pen waren, konden wij met moeite . de sloep in onze macht krijgen.

17 En na haar te hebben binnen' gehaald, namen zij voorzorgsi maatregelen en ondergordden het J schip. En uit vrees, op de Syrtis t te worden geslagen, vierden zij

het drijfanker en lieten zich zoo . drijven.

18 Daar wij echter zwaar van den storm te lijden hadden, begonnen

i zij den volgenden dag de lading i over boord te zetten;

19 en den derden dag wierpen zij i eigenhandig de scheepsuitrusting i weg.

20 Toen gedurende verscheidene dagen zon noch sterren zichtbaar

I waren en de zware storm bleef . aanhouden, werd ons ten slotte alle hoop op redding benomen.

21 En daar men geruimen tijd niet i had gegeten, trad Paulus in hun i midden en zeide; Mannen, men i had naar mij moeten luisteren en i niet van Kreta moeten afvaren, : en zich zoo deze averij en deze < schade moeten besparen.

> 22 Maar zelfs in deze omstandigheden raad ik u aan, goedsmoeds i te blijven; want er zal onder u ; geen enkel leven verloren gaan, l alleen het schip.

! 23 Dezen nacht namelijk stond er I een engel naast mij, van dien God i wien ik toebehoor, en denwelken I ik ook dien;

! 24 en hij zeide: vrees niet, Paulus! ! gij moet voor den keizer verschijI nen; en zie, God heeft allen die i met u op het schip zijn, aan u | geschonken.

verlopen, en de scheepvaart reeds onveilig werd, nu ook de vastentijd al voorbij was, waarschuwde Paulus hen,

10 en sprak: Mannen, ik voorzie, dat de vaart zal geschieden met gevaar en grote schade, niet alleen voor de lading en het schip, maar ook voor ons leven.

11 Maar de honderdman had meer vertrouwen op den stuurman en den schipper, dan op het zeggen van Paulus.

12 En daar de haven ook niet goed was gelegen, om er te overwinteren, vonden de meesten het beter, van daar weg te varen, om zo mogelijk Fenix te bereiken, een haven van Kreta, die naar het zuid- en noordwesten uitziet, en daar te overwinteren.

De schipbreuk bij Malta.

13 Toen er nu een zachte zuidenwind opstak, meenden ze, hun plan te kunnen volbrengen; ze ïichtten het anker, en zeilden de kust van Kreta langs.

14 Maar al heel spoedig sloeg over het eiland een hevige stormwind neer, die Eurakulon wordt genoemd.

15 Met geweld werd het vaartuig meegesleurd, en kon geen koers meer houden; we gaven het op, en lieten ons drijven.

16 Onder beschutting van een klein eiland, Klauda genaamd, slaagden we er met moeite in, de sloep meester te worden,

17 en op te halen; men legde de noodkabels aan, en sloeg ze om het schip; uit vrees op de Syrtis te stoten, haalde men het takelwerk neer, en zwalkte zó hulpeloos rond.

18 Geweldig bleef de storm ons beuken. De volgende dag wierp men de lading in zee,

19 en de derde dag uit eigen beweging ook het scheepstuig overboord.

20 Meerdere dagen was er zon noch ster te zien; en zo hevig woedde de storm, dat ons alle hoop op redding ontzonk.

21 Toen men reeds lang niet meer had gegeten, ging Paulus in hun midden staan, en sprak: Mannen, men had naar mij moeten luisteren, niet van Kreta moeten vertrekken, en dit gevaar en deze schade moeten voorkomen.

22 Maar nu raad ik u aan, goede moed te houden; niemand van u zal het leven verliezen, alleen het schip gaat verloren.

23 Want deze nacht verscheen mij een engel van den God, wien ik toebehoor en dien ik aanbid,

24 en hij sprak tot mij: Vrees niet, Paulus; ge moet voor Oesar verschijnen; om ü behoudt God allen, die met u op het schip zijn.

lies de vaart reeds bedenkelijk werd, daar ook de vasten reeds achter den rug waren, waarschuwde Paulus hen met deze woorden:

10 Mannen, ik zie in, dat de vaart met ongerief en grote averij gepaard zal gaan, niet alleen wat lading en schip, maar ook wat ons leven aangaat.

11 Maar de hoofdman stelde meer vertrouwen in den stuurman en den schipper dan in de woorden van Paulus.

12 En daar de haven niet geschikt was om te overwinteren, ried het merendeel aan, vandaar zee te kiezen om zo mogelijk Phoenix, een haven op Creta, beschermd liggende naar het Zuid-Westen en het Noord-Westen, te bereiken, ten einde daar te overwinteren.

13 En toen er een zachte zuidenwind opstak en zij meenden hun oogmerk te hebben bereikt, lichtten zij het anker en hielden zo dicht mogelijk langs de kust van Creta.

De schipbreuk.

14 Maar kort daarop sloeg vandaar een stormwind neer, de dusgenaamde Euraquilo;

15 en toen het schip werd meegesleurd en den kop niet in den wind kon houden, moesten wij het opgeven en dreven weg.

16 Maar wij schoten in de luwte van een eilandje, Clauda geheten, waar wij nog moeite hadden de sloep meester te worden;

17 nadat ze haar opgehesen hadden namen zij hulpmiddelen te baat door het schip te ondergorden; en daar zij bang waren op de Syrtis te worden geworpen, haalden zij het tuig neer en lieten zich zo drijven.

18 En daar wij vreselijk noodweer hadden, wierpen zij den volgenden dag lading over boord,

19 en den derden dag gaven zij eigenhandig het scheepstuig prijs.

20 En toen zich verscheidene dagen zon noch sterren vertoonden, en zwaar noodweer ons, bedreigde, werd ons alle verdere hoop op redding benomen.

21 En nadat zij lang zonder eten waren gebleven, ging Paulus in hun midden staan en zeide: Mannen, had men maar naar mij geluisterd om niet van Creta weg te varen en zich dit ongerief en deze averij te besparen!

22 Maar ook nu wek ik u op moed te houden, want het leven van niemand uwer zal verloren gaan, alleen maar het schip.

23 Want dezen nacht heeft een engel van den God. wien ik toebehoor en dien ik vereer, bij mij gestaan,

24 en hij heeft gezegd: Wees niet bevreesd, Paulus, want gij moet voor den keizer staan; en zie, allen, die met u varen, heeft God u geschonken.

605

Sluiten