is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13 een ieder, die den naam des Heeren aanroept, zal behouden worden.

14 Hoe kunnen zij dan hem aanroepen, in wien zij niet hebben leeren gelooven ? hoe gelooven in hem, van wien zij niet hebben gehoord? hoe hooren zonder prediker ?

15 hoe prediken, zonder gezonden te zijn? Gelijk geschreven staat: Hoe lieflijk zijn de voeten dergenen die een goede boodschap brengen.

16 Doch niet allen hebben aan de goede boodschap gehoor gegeven. Want Jesaja zegt: Heer, wie heeft aan onze prediking geloof geschonken ?

17 Zoo is dan het geloof gevolg van de prediking, en de prediking heeft plaats in opdracht van Christus.

18 Maar, zoo vraag ik, hebben zij het soms niet gehoord ? Zeker wel: Over de gansche aarde is hun stemgeluid uitgegaan, en tot de einden der wereld hunne woorden.

19 Maar, zoo vraag ik, heeft Israël het soms niet verstaan? Mozes in de eerste plaats zegt: Ik zal u ijverzuchtig maken op een niet-volk, tegen een onverstandig volk u tot toorn prikkelen.

20 En Jesaja verstout zich te zeggen: Ik heb mij laten vinden door hen die mij niet zochten, ik heb mij geopenbaard aan hen die naar mij niet vroegen.

21 Doch tot Israël zegt Hij: Den ganschen dag heb ik mijne handen uitgestrekt naar een volk dat ongehoorzaam is en tegenspreekt.

13 „Al wie immers de naam des Heren zal aanroepen, zal worden gered." Joel 3 : 5 (2 : 32).

Hun schuldig ongeloof.

14 Hoe zullen ze Hem dan aanroepen, in wien ze niet hebben geloofd ? En hoe zullen ze in Hem geloven, van wien ze niet hebben gehoord ?

15 En hoe zullen ze horen, als er geen prediker is? En hoe zal men preken, als men niet gezonden is? Zoals er geschreven staat: „Hoe lieflijk zijn de voeten van hen, die de Blijde Boodschap brengen!" —

Is. 52 : 7.

16 Maar niet allen hebben gehoor gegeven aan de Blijde Boodschap. Want Isaias zegt: „Heer, wie heeft onze prediking geloofd?"

Is. 53 : 1.

17 Het geloof ontstaat dus door de prediking; de prediking geschiedt krachtens opdracht van Christus.

18 Maar dan vraag ik: Hebben ze haar misschien niet gehoord? Toch wel! „Hun stem heeft zich over heel de aarde verbreid, En hun woorden tot aan de uiteinden der wereld."

Ps. 19 (18) : 5.

19 Maar dan vraag ik: Heeft Israël het misschien niet begrepen? Maar vooreerst zegt reeds Moses: ,,Ik zal u afgunstig maken op een volk, dat geen volk is, En toornig op een volk zonder begrip."

Deut. 32 : 21.

20 En Isaias durft zeggen: „Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten. Heb Mij geopenbaard aan wie Mij niet ondervroegen."

Is. 65 : l.

21 Maar tot Israël zegt hij: „De ganse dag stak Ik mijn handen uit Naar een ongelovig en weerbarstig volk."

is. 65 : 2.

13 want: al wie den naam des Heren aanroept, zal behouden worden.

Joël 2 : 32. Hand. 2 : 21.

14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wien zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wien zij niet gehoord hebben?

15 Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? Gelijk geschreven staat: Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen. jes. 52 : 7.

De ongelovigheid van Israël.

16 Maar niet allen hebben aan het evangelie gehoor gegeven. Want Jesaja zegt: Here, wie heeft geloofd wat hij van ons hoorde ?

Jes. 53 : 1.

17 Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus.

18 Maar ik vraag: hebben zij het dan niet gehoord? Zeer zeker: Over de gehele aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden der wereld hun woorden.

Ps. 19 : 5.

19 Maar ik vraag: heeft Israël het dan niet verstaan? Vooreerst zegt Mozes: Ik zal u naijverig maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk.

Deut. 32 : 21.

20 En Jesaja waagt het te zeggen: Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen.

Jes. 65 : l.

21 Maar van Israël zegt hij: Den gansen dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

Jes. 65 : 2.

De verwerping van Israël niet in allen deele. 1 Ik vraag dan: heeft God zijn volk soms verstooten? Verre van dien! Ook ik ben immers een Israëliet, van Abrahams nakroost, van den stam Benjamin.

Geen algemene verwerping. 1 Ik vraag dus: Heeft God dan zijn volk soms verstoten? Verre vandaar! Want ook ikzelf ben een Israëliet, uit het geslacht van Abraham, uit de stam van Benjamin.

2 God heeft zijn volk niet verstooten, dat hij verkoren heeft. Of weet gij niet wat het Schriftwoord zegt in de geschiedenis van Elia, als deze Israël bij God aanklaagt ?

3 Heer, uwe profeten hebben zij gedood, uwe altaren omvergeworpen, en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn leven.

4 Maar wat zegt de godsspraak tot hem ? Ik heb voor mij nog zeven duizend man overgelaten, die hunne knie voor Baal niet gebogen hebben.

2 Neen, God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij uitverkoren had. Of weet gij niet, wat de Schrift door Elias zegt, toen deze zich bij God over Israël beklaagde:

3 „Heer, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren omver geworpen; ik alleen ben overgebleven, en ze staan me naar het leven."

4 Welnu, wat antwoordt hem de godsspraak: „Zeven duizend mannen heb Ik Mij voorbehouden, die de knie niet voor Baal hebben gebogen." —

Israël slechts ten dele verworpen.

1 Ik vraag dan: God heeft zijn ■■ volk toch niet verstoten ? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van den stam Benjamin.

2 God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt in (de geschiedenis van) Elia, als hij Israël bij God aanklaagt:

3 Here, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij verwoest; ik ben alleen overgelaten en mij staan zij naar het leven.

1 Kon. 19 : 10.

4 Maar wat zegt de godsspraak tot hem ? Ik heb Mij zevenduizend man doen overblijven, die hun knie voor Baal niet hebben gebogen.

1 Kon. 19 : 18.

5 Op die wijze is er nu ook in den tegenwoordigen tijd een overblijfsel, naar de genadeverkiezing uitgelezen:

5 Zo is er dan ook in deze tijd een overschot gebleven door de uitverkiezing der genade.

5 Zo is er dan ook in den tegenwoordigen tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade.