is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 Want ik zou niet durven iets zeggen, hetwelk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken;

19 Door kracht van teekenen en wonderheden, en door de kracht

van den tieest uoüs, zoodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb. ,

20 En alzoo zeer begeerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen;

21 Maar gelijk geschreven is; Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en

dewelke het met gehoord heooen, die zullen het verstaan.

Jes. 52 : 15.

18 Want ik zal niet wagen iets te zeggen, wat Christus niet door mij gewerkt heeft, om de heidenen tot gehoorzaamheid te brengen, door woorden en werken,

19 door kracht van teekenen en wonderen, en door de kracht van Gods Geest; alzoo dat ik van Jeruzalem af en rondom, tot Illyrië toe, alles met het evangelie van Christus vervuld heb,

2 Cor. 12 : 12.

20 en zóó, dat ik mij bevlijtigd heb, om het evangelie te prediken waar Christus' naam niet bekend was, opdat ik niet op eens anders grond zou bouwen;

2 Cor. 10 : 16.

21 maar gelijk er geschreven staat: „Aan wie van hem niet verkondigd is, die zullen het zien; en wie het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan."

Jes. 52 : 15.

18 Want ik zal het niet wagen van eenig ander werk te spreken dan van hetgeen Christus door mij heeft gedaan om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen, door woord en werk,

19 door de kracht van teekenen en wonderen, door de macht des Heiligen Geestes; zoodat ik de heilmare omtrent Christus overal gebracht heb, van Jeruzalem af tot Illyrië toe,

20 terwijl ik er mijn eer in stelde Christus te verkondigen waar men nog niet van hem gesproken had; opdat ik niet op eens anders grondslag zou bouwen,

21 maar het zou gaan naar het Schriftwoord: Zij aan wie omtrent hem niets verkondigd is zullen hem zien, en zij die er niets van gehoord hebben zullen het begrijpen.

22 Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen.

Eom. 1 : 13. 1 Thess. 2 : 18.

23 Maar nu geene plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen,

Hom. 1 : 10.15 : 32. 1 Thess. 3 : 10. 2 Tim. 1 : 4.

24 Zoo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; wantik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn.

25 Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.

Hand. 19 : 21. 24 : 17.

26 Want het heeft dien van Macedonië en Achaje goed gedacht eene gemeene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn.

27 Want het heeft hun zoo goed gedacht; ook zijn zij hunne schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zoo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen.

1 Kor. 9 : 11. Gal. 6 : 6.

28 Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zoo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen.

29 En ik weet, dat ik, tot u komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal. Rom. l : 11.

Opwekking tot voorbede.

30 En ik bid u, broeders! door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;

2 Kor. 1 : 11.

31 Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judéa, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen;

2 Thess. 3 : 2.

32 Opdat ik met blijdschap, door den wil van God, tot u mag komen, en met u verkwikt worden.

Rom. 1 : 10. 15 : 23.

22 Dit is ook de oorzaak, waarom ik dikwijls verhinderd ben tot u te komen;

Rom. 1 : 9, 23. Hand. 19 : 21.

23 maar nu ik geen plaats meer heb in deze landen, en sinds vele jaren verlangen heb om tot u te komen,

24 zoo zal ik tot u komen, als ik naar Spanje zal reizen; want ik hoop, dat ik op de doorreis u zien zal, en door u derwaarts moge geleid worden, als ik mij eerst eenigermate aan u zal verkwikt hebben.

25 Maar nu reis ik naar Jeruzalem, den heiligen tot dienst.

Hand. 24 : 17.

26 Want die van Macedonië en Achaja hebben goedgevonden zich

eene bijdrage op te leggen voor de armen onder de heiligen te Jeruzalem.

L LUI . 1D . 1 O.

27 Zij hebben dit zoo goedgevonden, en zijn ook hunne schuldenaars; want daar de heidenen hunne geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zoo is het behoorlijk, dat zij hun ook in stoffelijke goederen dienst bewijzen. l Cor. 9 : 11.

28 Wanneer ik nu dit volbracht en hun deze opbrengst afgedragen zal hebben, zal ik door uwe stad naar Spanje reizen.

29 En ik weet, dat, als ik tot u kom, ik met vollen zegen van Christus' evangelie zal komen.

30 Maar nu vermaan ik u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus en door de liefde des Geestes, dat gij mij helpt kampen door voor mij tot God te bidden;

2 Thess. 3 : 1. 2.

31 opdat ik verlost worde van de ongeloovigen in Judéa, en dat mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen;

32 opdat ik met vreugde tot u kome, door den wil Gods, en mij met u verkwikke.

22 Daarom ben ik ook menigmaal verhinderd tot u te gaan;

23 maar nu, daar ik in deze streken geen ruimte meer heb om te arbeiden en sedert vele jaren verlang tot u te gaan

24 om dan naar Spanje te trekken .... want ik hoop op mijn doorreis u te zien en door u daarheen uitgeleid te worden, indien ik eerst van mijn bijzijn onder u — hoewel niet genoeg — genoten heb.

25 Maar nu reis ik naar Jeruzalem ten dienste der heiligen;

26 want Macedonië en Achaje hebben goedgevonden een bijdrage te geven voor de armen der heiligen te Jeruzalem.

27 Dit toch vonden zij goed, en zij ziin het ook aan hen verplicht.

Immers, indien de heidenen deel hebben gekregen aan hun geestelijke gaven, zijn zij ook verplicht hen met stoffelijke te dienen.

28 Daarom zal ik, na dit volbracht en hun deze gave veilig overgebracht te hebben, over uw stad naar Spanje afreizen;

29 en ik weet, dat, wanneer ik tot u kom, ik met een rijken zegen

van Christus komen zal.

30 Ik vermaan u dan. broeders, bii

onzen Heer Jezus Christus en bij de liefde des Geestes, mijn strijd mee te strijden door voor mij tot God te bidden,

31 dat ik gered worde uit de handen der ongeloovigen in Judea, en de dienst dien ik aan de heiligen te Jeruzalem bewijzen moet aangenaam zij;

32 opdat ik, in blijdschap tot u komend als God wil, bij u uitruste.