Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

ben van Paulus! en een ander: Ik van Apollos! zijt gij dan niet ongeestelijke menschen?

De ware opvatting van het herderlijk werk. 5 Wat is Apollos dan? wat is Paulus? Het zijn dienaren, door wie gij tot geloof zijt gekomen,

i en wel naardat ae weer net aan een ieder gegeven heeft.

6 Ik heb geplant, Apollos heeft . nat gemaakt, maar God heeft den \ wasdom gegeven:

7 en daarom beteekent noch hij i die plant iets, noch hij die nat: maakt, maar alleen God die den • wasdom geeft.

8 Hij die plant, en hij die natmaakt, staan in dit opzicht gelijk, maar ieder zal zijn loon ontvan-

{ gen in overeenstemming met zijn inspanning.

ben van Paulus", en de ander: ,,Ik ben van Apollo", zijt gij dan niet louter mensen?

De eenheid der Kerk volgt uit de eenheid der predikers.

5 Wat toch is Apollo? Wat is Paulus ? Dienaars, door wier toedoen gij het geloof hebt ontvangen; elk op de wijze, als de Heer hem gegeven heeft.

6 Ik heb geplant, Apollo heeft begoten, maar God heeft wasdom verleend.

7 En daarom, noch hij die plant, noch hij die begiet, betekent iets, maar God, die wasdom geeft.

8 Toch zijn ze één, hij die plant •en hij die begiet; en elk zal zijn eigen loon ontvangen, overeenkomstig eigen arbeid.

ben van Paulus; en de ander: Ik van Apollos; zijt gij dan niet (onveranderde) mensen?

5 Wat is dan Apollos? Of wat is Paulus ? Dienaren, door wie gij tot geloof gekomen zijt, en wel zoals de Here dit aan een ieder geschonken heeft.

6 Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf den wasdom.

7 Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die den wasdom geeft.

8 Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk.

9 Want wii ziin Gods medearbei- 9 Wij zijn Gods medearbeiders; 9 Want Gods medearbeiders zijn cte^, Gods akkerwerk, Gods gij zijt Gods akker, Gods bouw- wij; Gods akker, Gods bouwwerk bouwwerk zijt gij. werk. Zl-Jt SE-

Fundament en gebouw.

10 Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt. Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt.

11 Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen.

10 Naar de genade Gods, die mij , is geschonken, heb ik als een wijs

bouwmeester een fundament gelegd, doch een ander bouwt daarop voort. Een ieder moet toezien, ) hoe hij daarop bouwt.

11 Want niemand kan een ander fundament leggen dan dat eenmaal gelegd is: namelijk Jezus

| Christus.

12 Of men op dat fundament 1 bouwt met goud, zilver, kostbare

steenen, hout, hooi ot stoppelen,

13 — de hoedanigheid van ieders werk zal blijken. Want de [groote] dag zal het uitwijzen, omdat deze zich met vuur openbaart; en hoedanig ieders werk is, het vuur zal het op de proef stellen.

14 Indien het bouwwerk dat iemand optrok, de vuurproef zal doorstaan, zal hij loon ontvangen;

15 indien zijn werk verbranden zal, zal hij daarvoor boeten, maar zelf zal hij gered worden, doch als uit een brand.

10 Volgens Gods genade, mij geschonken, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt er op voort. Maar iedereen moet toezien, hoe hij daarop bouwt.

11 Want niemand mag een ander fundament plaatsen, dan wat gelegd is: en dat is Jesus Christus.

12 Onverschillig, of men op dit fundament voortbouwt met goud of zilver, met edelstenen, hout, stro of riet;

13 eens zal ieders werk bekend worden gemaakt. Immers de Dag zal het aantonen; want in vuur openbaart hij zich, en het vuur zal uitwijzen, van wat gehalte het werk van een ieder is.

14 Houdt het werk, dat hij heeft opgebouwd, stand, dan zal hij loon ontvangen.

15 Zo zijn werk verbrandt, dan zal hij schade lijden; hij zal wel behouden worden, maar zó, dat hij eerst door het vuur moet.

16 Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en de geest Gods in u woont ?

16 Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en dat Gods Geest in u woont?

12 Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro,

13 ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken.

14 Indien het werk, dat hij (erop) gebouwd heeft, stand houdt, zal hij loon ontvangen,

15 maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen.

16 Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont ?

17 Indien iemand Gods tempel verderft, dien zal God verderven. Want de tempel Gods is heilig, en Hip t.pmnpl ziit 2"ïi.

17 Zo iemand Gods tempel ten verderve brengt, dan zal God ook hem verderven. Want heilig is Gods tempel, en dat zijt gij.

17 Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!

18 Laat niemand zichzelf misleiden: indien iemand onder u meent wijs te zijn in deze eeuw, hij worde dwaas, om wijs te worden.

19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God. Er staat immers geschreven: Die de wijzen vangt in hun eigen listigheid.

De ondeugden, als oorzaak der partijschappen.

18 Niemand bedriege zichzelf. Zo iemand wijs onder u meent te zijn, hij moet dwaas naar deze wereld worden, om wijs te zijn.

19 Immers de wijsheid dezer wereld is dwaasheid voor God. Want er staat geschreven: „Hij, die de wijzen in hun eigen arglistigheid vat."

18 Laat niemand zichzelf misleiden! Indien iemand onder u meent wijs te zijn in dezen tijd, hij worde dwaas, om wijs te worden.

19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid voor God. Want er staat geschreven: Die de wijzen vangt in hun sluwheid; en elders:

Job 5 : 12.

Sluiten