Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6 Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdeesem het geheele deeg zuur maakt?

Gal. 5 : 9.

7 Zuivert dan den ouden zuurdeesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

Jes. 53 : 7. Joh. 1 : 29. 1 Kor. 15 : 3.

8 Zoo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdeesem, noch in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde brooden der oprechtheid en der waarheid.

Ex. 12 : 3, 15. Deut. 16 : 3.

9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;

Deut. 7 : 2. Matt. 18 : 17. 2 Kor. 6 : 14. Efez. 5 : 11. 2 Thess. 3 : 14.

10 Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de roovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.

11 Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder

genaamd zijnde, een Hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roover; dat gij met zoodanig eenen ook niet zult eten. Nura. 12 : 14. Matt. 18 : 17.

2 Thess. 3 : 14. 2 Joh. vs. 10. 12 Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordeelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?

13 Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij dezen booze uit ulieden weg.

Deut. 13 : 5.

Rechtzaken tusschen broeders. 6 1 Durft iemand van ulieden, die eene zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen.

2 Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig der minste gerechtzaken?

Matt. 19 : 28. Luk. 22 : 30.

3 Weet gij niet, dat wij de engelen oordeelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?

4 Zoo gij dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de Gemeente minst geacht zijn.

5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzoo onder u geen, die wijs is, ook niet één, die zou kunnen oordeelen tusschen zijne broeders?

6 Maar de eene broeder gaat met den anderen broeder te recht, en dat voor ongeloovigen.

6 Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdeeg het geheele deeg verzuurt?

Gal. 5 : 9.

7 Daarom veegt het oude zuurdeeg weg, opdat gij een nieuw deeg moogt zijn, gelijk gij ongezuurd zijt. Want wij hebben ook een Paaschlam voor ons geslacht, namelijk Christus.

8 Daarom laat ons Paschen houden, niet in het oude zuurdeeg, ook niet in het zuurdeeg der boosheid en ondeugendheid, maar in het ongezuurde deeg der louterheid en der waarheid.

9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij niet te doen zoudt hebben met de hoereerders;

10 doch dit meen ik niet in het algemeen van de hoereerders in deze wereld, of van de gierigaards, of van de roovers, of van de afgodendienaars; want anders zoudt gij uit de wereld moeten gaan.

11 Maar nu heb ik u geschreven, dat gij niet te doen zoudt hebben met iemand, indien hij zich een broeder laat noemen, en een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roover; met dien zult e-ii ook

1 i 1 tl e LCI1.

2 Thess. 3 : 6, 14.

12 Want wat gaan mij diegenen aan, die buiten zijn, dat ik hen zou oordeelen? Oordeelt gij niet wie binnen zijn?

13 Maar wie buiten zijn zal God oordeelen. Doet den booze uit het midden van u weg.

Deut. 13 : 5. 17 : 7

Recht zoeken bij ongeloovigen.

1 Hoe durft iemand onder u, als hij eene rechtzaak heeft met een ander, recht zoeken bij de onrechtvaardigen, en niet bij de heiligen ?

2 Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeelen zullen ? Indien dan nu de wereld door u geoordeeld zal worden, zijt gij dan niet goed genoeg mindere zaken te oordeelen ?

3 Weet gij niet, dat wij over de Engelen oordeelen zullen, hoeveel te meer over de tijdelijke belangen?

4 Maar gij, als gij zaken van tijdelijke belangen hebt, neemt gij dan diegenen, die in de gemeente het minst geacht zijn, en stelt hen tot rechters ?

5 U tot beschaming moet ik dit zeggen. Is er dan niemand onder u die wijs is, ook niet één, die zou kunnen oordeelen tusschen broeder en broeder?

6 Maar de eene broeder heeft eene rechtzaak met den ander, en dat voor ongeloovigen!

6 Uw roemen deugt niet. Weet gij niet dat een weinig zuurdeesem al het meel doorzuurt?

7 Ruimt op dan den ouden zuurdeesem; opdat gij nieuw meel: moogt zijn, zooals gij inderdaad ongezuurd brood zijt. Want ook! ons pascha is geslacht, Christus.

8 Laten wij dus niet feestvieren met den ouden zuurdeesem, noch met dien van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid.

9 In mijn brief heb ik u geschreven dat gij niet moet omgaan met hoereerders.

10 Natuurlijk heb ik niet bedoeld met de hoereerders van deze wereld of met afzetters, roovers, afgodendienaars; want dan zoudt gij de wereld moeten uitloopen;

11 maar nu schrijf ik u dat gij geen omgang moet houden met iemand die broeder heet en dan hoereerder of afzetter is, afgodendienaar of lasteraar, dronkaard of roover; met zulk een moet gij zelfs niet eten.

12 Want hoe zou het mii nasseri

over hen die buiten onzen kring zijn te oordeelen? Moet gij niet hen die daarbinnen zijn oordeelen?

13 Hen die daarbuiten staan zal God oordeelen. Doet den slechten

mensch uit uw midden weg.

Geen twistzaken voor heidensche rechters!

1 Wanneer een uwer een geschil heeft met een ander, waagt hij het dan hem bij de goddeloozen aan te klagen en niet bij de heiligen ?

2 Maar weet gij dan niet dat de heiligen de wereld zullen richten? En indien het aan u staat de wereld te oordeelen, zijt gij dan niet bevoegd te oordeelen over kleinigheden ?

3 Weet gij niet dat wij de engelen zullen richten? En dan niet de wereldsche dingen?

4 Als gij geschil over wereldsche zaken hebt, stelt gij dan de minst beteekenende leden der gemeente als rechters aan?

5 Ik zeg dit tot uw beschaming. Is er dan onder u geen enkel man, wijs genoeg om rechter onder zijn broeders te zijn?

6 In plaats daarvan heeft een broeder met een broeder een rechtzaak, en dat voor ongeloovigen!

7 Zoo is er dan nu ganschelijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?

Spr. 20 : 22. Matt. 5 : 39.

Rom. 12 : 17. 1 Thess. 5 : 15.1 Petr. 3 : 9.

t Dat is alreeds een gebrek onder u, dat gij rechtzaken met elkander hebt. Waarom laat gij u niet veel liever onrecht doen, waarom laat gij u niet veel liever benadeelen?

7 Het komt trouwens reeds niet te pas dat gij met elkander twistzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever onrecht? Waarom laat gij u niet liever tekortdoen?

Sluiten