Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 maar ter wille van de onzedelijkheid hebbe ieder man zijn eigen vrouw en iedere vrouw haar eigen man.

3 Man en vrouw moeten jegens elkander hun plicht vervullen.

4 Noch vrouw noch man heeft de beschikking over eigen lichaam.

5 Onttrekt u aan elkander niet, tenzij met beider goedvinden voor een tijd, opdat gij u aan het gebed moogt wijden en dan weer samen zijn, opdat niet de satan u in de val lokke, omdat gij u niet onthouden kunt.

6 Dit zeg ik u bij wijze van toelating, niet van bevel.

7 Ik zou willen, dat alle menschen waren als ik zelf; maar ieder heeft van God zijn eigen gave, de een op deze, de ander op die wijze.

11 — en indien zij toch scheidt, blijve zij ongehuwd of verzoene zich met haren man, — en dat een man zijne vrouw niet mag verstooten.

12 Tot de anderen zeg ik, niet de Heer: indien een broeder een ongeloovige vrouw heeft, en deze er in toestemt met hem samen te wonen, zoo verstoote hij haar niet.

13 En een vrouw die een ongeloovigen man heeft, en deze stemt er in toe, met haar samen te wonen, verstoote den man niet.

14 Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den broeder; anders toch zouden uwe kinderen onrein zijn, maar nu zijn zij geheiligd.

15 Doch wil de ongeloovige scheiden, laat hij scheiden; de broeder of de zuster is in dergelijke gevallen niet gebonden; wel echter om in vrede te leven, heeft God u geroepen.

16 Want wat weet gij, vrouw, of gij uw man zult redden? Of wat weet gij, man, of gij uw vrouw zult redden?

17 Alleen zooals aan ieder door den Heer het lot is toebedeeld, zooals ieder door God is geroepen, zoo moet hij zijn leven leiden. En deze voorschriften geef ik in al de gemeenten.

2 maar ter vermijding van allerlei ontucht moet toch iedere man zijn eigen vrouw behouden, en iedere vrouw haar eigen man.

3 De man moet aan de vrouw zijn plicht vervullen, zoals ook de vrouw aan den man.

4 De vrouw heeft geen vrije beschikking over haar eigen lichaam, maar de man. Eveneens heeft ook de man geen vrije beschikking over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.

5 Weigert niet aan elkander, dan alleen met onderling goedvinden en voor een bepaalde tijd, om u aan het gebed te wijden; en gaat er dan weer toe over, opdat de satan u niet bekoort door uw onthouding.

6 Dit laatste echter bedoel ik als een verlof, en niet als een bevel.

7 Integendeel, ik zou willen, dat alle mensen waren zoals ikzelf; maar iedereen heeft van God een persoonlijke gave, de één deze, gene weer een andere.

11 en zo ze toch gescheiden is, dat ze dan ongehuwd moet blijven, of zich met den man moet verzoenen; ook dat de man de vrouw niet mag verstoten.

12 Aan de overigen zeg ik, niet de Heer: Wanneer een broeder een ongelovige vrouw heeft, en deze bewilligt er in, met hem samen te wonen, dan mag hij haar niet verstoten;

13 eveneens, wanneer een vrouw een ongelovigen man heeft, en deze er in bewilligt, met haar samen te wonen, dan mag ze den man niet verstoten.

14 Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw geheiligd door den broeder; anders toch waren uw kinderen onrein, terwijl ze inderdaad heilig zijn.

15 Maar wanneer de ongelovige scheiden wil, laat hem scheiden; in zulke gevallen is de broeder en de zuster niet gebonden. God heeft u toch tot vrede geroepen;

16 want hoe weet ge, vrouw, of ge den man zult redden; en gij, man, hoe weet ge, of ge de vrouw redden zult?

17 Iedereen heeft dus zó te leven, als de Heer hem heeft toegedeeld, zoals God hem heeft geroepen. Zo verorden ik in alle kerken.

18 Is iemand geroepen, nadat hij de besnijdenis had ontvangen, hij moet ze niet wegwerken; is iemand als onbesnedene geroepen, hij moet zich niet laten besnijden.

2 maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.

3 De man kome jegens de vrouw zijn (echtelijke) verplichtingen na en evenzo de vrouw jegens haar man.

4 De vrouw heeft niet zelf over haar lichaam te beschikken, doch haar man; en eveneens heeft de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken, doch zijn vrouw.

5 Onthoudt dat elkander niet, tenzij met onderling goedvinden (en) voor een bepaalden tijd, om u te wijden aan het gebed, maar om daarna weder samen te komen, opdat niet de satan u verzoeke wegens [uw] gemis aan zelfbeheersing.

6 Dit zeg ik om u tegemoet te komen, niet om u te bevelen.

7 Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf. Doch iedereen heeft van God zijn bijzondere gave, de een deze, de ander die.

8 Maar tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik: Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik.

9 Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden.

Echtscheiding.

10 Doch hun, die getrouwd zijn, beveel niet ik, maar de Here, dat een vrouw haar man niet mag verlaten ■—

11 is dit tóch gebeurd, dan moet zij ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen — en een man moet zijn vrouw niet verstoten.

12 Maar tot de overigen zeg ik, niet de Here: heeft een broeder een ongelovige vrouw, die er in bewilligt met hem samen te wonen, dan moet hij haar niet verstoten.

13 En een vrouw moet, als zij een ongelovigen man heeft, en deze er in bewilligt met haar samen te wonen, dien man niet verstoten.

14 Want de ongelovige man is geheiligd in zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd in den broeder. Anders zouden immers uw kinderen onrein zijn, doch nu zijn zij heilig.

15 Maar indien de ongelovige haar verlaat, laat hij haar verlaten. De broeder of zuster is in dat geval niet gebonden; tot vrede heeft God u geroepen.

16 Want hoe kunt gij weten, vrouw, dat gij uw man zult redden? Of hoe kunt gij weten, man, dat gij uw vrouw zult redden?

17 Alleen, laat ieder zó leven, als de Here hem toebedeeld heeft, zó, als God hem geroepen heeft. Zó schrijf ik het in alle gemeenten voor.

18 Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden.

8 Doch ik zeg tot de ongehuwden en de weduwen, dat het voor hen goed is, wanneer zij blijven zooals ik;

9 maar indien zij zich niet kunnen beheerschen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan door hartstocht verteerd te worden.

10 Dengenen die een huwelijk hebben gesloten, gebied ik, neen, niet ik, maar de Heer, dat een vrouw van haren man niet mag scheiden,

8 Tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik: het is goed voor hen, zo te blijven, zoals ikzelf ben.

9 Maar zo ze zich niet kunnen beheersen, laat hen dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan te verbranden.

10 Aan de gehuwden beveel niet ik, maar de Heer, dat de vrouw zich niet mag scheiden van den man;

Sluiten