Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19 De besnijdenis is niets, de onbesnedenheid evenmin, maar alleen de onderhouding van Gods geboden.

20 Laat iedereen in de staat blijven, waarin hij geroepen is. —

21 Zijt ge geroepen als slaaf, maak u daarover niet bekommerd; maar zo óók gij vrij kunt worden, maak dan liever van de gelegenheid gebruik.

22 Immers een slaaf, die geroe-

non io \ n rlf>n Mppr IS .AP. Tl vrii-

gelatene van den Heer; zoals een vrije, die geroepen is, de slaaf is van Christus.

23 Gij zijt gekocht en de prijs is 23 Duur zijt gij gekocht; weest betaald: wordt geen slaven van geen mensen-slaven, menschen.

19 Het besneden zijn heeft geen waarde en het niet besneden zijn heeft geen waarde: waarde heeft het onderhouden van Gods gebo¬

den.

20 Laat ieder blijven in den staac, waarin hij verkeerde bij zijn roeping.

21 Werdt gij als slaaf geroepen? het dere u niet. (Maar indien gij vrij kunt worden, maak daarvan liever gebruik.)

22 Want de slaaf, die tot des Heeren dienst geroepen is, is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks is de vrije, als hij geroepen is, een slaaf van Christus.

19 (Want) besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wél het houden van Gods geboden.

20 Ieder blijve bij die roeping, waarin hij was, toen hij geroepen werd.

21 Zijt gij als slaaf geroepen, bekommer u daarover niet, maar als gij ook vrij kunt worden, maak er dan te meer gebruik van.

22 Want de slaaf, die in den Here geroepen werd, is een vrijgelatene des Heren. Evenzo is hij, die als vrije geroepen werd, een slaaf van Christus. Gij zijt gekocht en betaald.

23 Weest geen slaven van mensen.

24 In den staat waarin ieder geroepen is, broeders, daarin blijve hij, dicht bij God.

25 Wat betreft de maagden, voor haar heb ik geen opdracht des Heeren; maar ik geef mijne meening als iemand die van den Heer barmhartigheid heeft verkregen, om standvastig te zijn.

26 Ik meen dan dat dit goed is, wegens den aanbrekenden nood: dat het goed is voor een mensch, zóó te zijn.

27 Zijt gij aan een vrouw verbonden? Zoek geen scheiding. Zijt gij vrij van een vrouw? Zoek er geen.

28 Maar wanneer gij toch een huwelijk sluit, zoo bedrijft gij daarmede geen zonde; en wanneer de maagd een huwelijk sluit, bedrijft zij geen zonde. Doch denzulken staat uiterlijke verdrukking te wachten, en ik wil u sparen.

29 Doch dit wil ik verzekeren, broeders: de tijd is kort. Daarom, voor den tijd die nog rest, moeten ook zij die vrouwen hebben, zijn alsof zij ze niet hadden,

30 en degenen die weenen, alsof zij niet weenden, en die blijde zijn,

rri-; «1^4- wciron pri rl i p

aiÖUi ZilJ ixicl WAIJVAV.

koopen, alsof zij het niet behielden;

31 kortom die van de wereld gebruik maken, alsof zij er in het geheel geen gebruik van maakten, want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.

32 Ik zou wel willen dat gij zonder zorgen waart. De ongehuwde wijdt zijne zorg aan de zaak des Heeren, hoe hij den Heer kan behagen;

33 de gehuwde wijdt zijne zorg aan de dingen der wereld, hoe hij zijn vrouw kan behagen, en zijn aandacht is verdeeld.

34 De vrouw die ongehuwd blijft, zoowel als de maagd, wijdt hare zorg aan de zaak des Heeren, om naar lichaam en geest beide geheiligd te zijn; maar de gehuwde wijdt hare zorg aan de dingen der wereld, hoe zij haren man kan behagen.

24 Broeders, laat iedereen voor God in de staat blijven, waarin hij geroepen werd.

De voortreffelijkheid van de maagdelijke staat.

25 Wat de maagden betreft, heb ik geen gebod des Heren; maar ik geef mijn gevoelen als iemand, die door Gods ontferming betrouwbaar is.

26 Welnu, ik ben er van overtuigd dat om de aanstaande Nood'dit het best is: dat namelijk iemand liefst zó blijft, als hij is.

27 Zijt ge aan een vrouw verbonden, zoek dan geen scheiding. Zijt ge niet aan een vrouw verbonden, zoek dan geen vrouw;

28 doch ook al huwt ge, gë zondigt niet; en als een maagd trouwt, zondigt ze niet. Maar zulke personen zullen bekommernissen hebben naar het vlees, en die wilde ik u besparen.

90 Dit tnch heb ik te zeggen,

broeders. De tijd is kort. Daaruit volgt, dat zelfs zij, die vrouwen hebben, moeten zijn, als hadden zij ze niet;

30 en zij die wenen, alsof ze niet weenden; en zij die blijde zijn, als verblijdden ze zich niet; en zij die kopen, als behielden ze het niet;

31 en zij die van de wereld genieten, als hadden ze er niets mee op. Want de gedaante dezer we¬

reld gaat voor dij;

32 en daarom wil ik, dat gij zonder zorgen zijt. — De ongehuwde is bezorgd over de dingen des Heren, hoe hij behagen zal aan den Heer;

33 maar de gehuwde is bezorgd over de dingen der wereld, hoe hij behagen zal aan de vrouw;

34 en hij is verdeeld. Eveneens zijn ook de ongehuwde vrouw en

de maagd oezorga over ue uuigcn des Heren, om heilig te zijn naar lichaam en ziel, terwijl de gehuwde bezorgd is over de dingen der wereld, hoe ze den man zal behagen. —

24 Broeders, iedereen blijve voor God in dien toestand, waarin hij werd geroepen.

De ongehuwden.

25 Voor de jongedochters heb ik geen bevel van den Here. Maar ik geef mijn mening, als iemand, die door de ontferming des Heren trouw is.

26 Ik acht dus om den bestaanden nood dit goed, dat het voor een mens goed is, zó te zijn.

27 Zijt gij aan een vrouw verbonden? Zoek geen scheiding. Hebt gij geen vrouw meer ? Zoek er geen.

28 Maar ook wanneer gij trouwt, dan doet gij daarmede geen kwaad, ■en wanneer een jongedochter trouwt, dan doet ook zij daarmede geen kwaad. Maar wèl staat zulken mensen verdrukking voor het vlees te wachten, die ik u gaarne besparen zou.

29 Dit bedoel ik, broeders: de tijd is kort. Ten slotte, laten zij, die een vrouw hebben, zijn als zonder vrouw;

30 die wenen, als weenden zij niet; die bijde zijn, als waren zij niet blijde; die kopen, als zouden zij er niets van behouden;

31 die van de wereld gebruik maken, als zouden zij haar niet ten einde toe gebruiken. Want het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen.

32 En ik wilde wel, dat gij zonder zorgen waart. Wie niet getrouwd is, wijdt zijn zorgen aan de zaak des Heren, hoe hij den Here zal behagen.

33 Maar hij, die getrouwd is, wijdt zijn zorgen aan aardse zaken, hoe hij zijn vrouw zal behagen, en hij is verdeeld.

34 Zowel zij, die geen man meer heeft, als de jongedochter, wijdt haar zorgen aan de zaak des Heren, om heilig te zijn naar lichaam en geest. Maar zij, die getrouwd is, wijdt haar zorgen aan aardse zaken, om haar man te behagen.

35 Dit nu zeg ik tot uw eigen 35 Ik zeg dit tot uw eigen bestwil, 35 Dit zeg ik in uw eigen belang,

Sluiten