is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17 Wij, velen in aantal, zijn één brood. Wij, velen in aantal, zijn één lichaam; want wij allen hebben deel aan het ééne brood.

18 Ziet op het aardsche Israël: hebben niet zij die de offerande eten, deel aan het altaar?

19 Wat bedoel ik daarmede? dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is?

20 Neen, maar ik bedoel, dat hetgeen zij offeren, zij dat aan de booze geesten offeren en niet aan God. En ik wil niet, dat gij deelgenooten der booze geesten wordt.

21 Gij kunt niet drinken den drinkbeker des Heeren en tevens den drinkbeker der booze geesten. Gij kunt niet deel hebben aan de tafel des Heeren en tevens aan de tafel der booze geesten.

22 Of willen wij den Heer tot naijver prikkelen? Wij zijn toch niet sterker dan hij ?

De liefde het ware beginsel, ook bij het eten van offervleesch.

23 „Alle dingen zijn geoorloofd." — Ja, maar niet alle dingen zijn heilzaam. „Alle dingen zijn geoorloofd." — Ja, maar niet alle dingen stichten.

24 Niemand zoeke zijn eigen voordeel, maar een ieder zoeke het voordeel van zijn naaste.

25 Eet al wat in de vleeschhal wordt verkocht, zonder iets te onderzoeken, om des gewetens wil.

26 Want: de aarde is des Heeren en al wat haar vervult.

27 Indien iemand van de ongeloovigen u noodigt en gij wilt er heen gaan, eet al wat u voorgezet wordt, zonder iets te onderzoeken, om des gewetens wil.

28 Maar indien iemand tot u zegt: dat is offervleesch, — eet het dan niet, ter wille van hem die u daarop wees, en om des gewetens wil.

17 Omdat het één Brood is, daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam; want allen hebben wij deel aan het éne Brood. —

18 Beschouwt het Israël naar het vlees; zijn zij, die de offerspijzen eten, niet in gemeenschap met het altaar ?

19 Wat wil ik hiermee zeggen? Dat het offervlees iets is, of dat een afgod iets is?

20 Neen, maar wat ze offeren, offeren ze aan duivels en niet aan God. En ik wil niet, dat gij in gemeenschap staat met de duivels.

21 Gij kunt de kelk des Heren niet drinken en de kelk der duivels. Gij kunt geen deel hebben aan de Tafel des Heren en aan de tafel der duivels.

22 Of zouden we den Heer soms willen uitdagen? Zijn wij soms sterker dan Hij ?

Practische toepassingen. 23 Alles is geoorloofd! Maar niet alles is heilzaam! Alles is geoorloofd! Maar niet alles is stichtend.

24 Niemand zoeke zijn eigen belang, maar dat van den naaste.

25 Al wat in de vleeshal verkocht wordt, moogt gij eten, zonder verder onderzoek te doen tot geruststelling van uw geweten.

26 Want: „Aan den Heer behoort de aarde met wat ze bevat."

Ps. 24 (23) : 1.

27 Zo een ongelovige u uitnodigt, en gij wilt er heen gaan, eet dan gerust, al wat u wordt voorgezet, zonder verder onderzoek te doen tot geruststelling van het geweten.

28 Maar zo iemand u zegt: „Dit is offervlees", eet er dan niet van, zowel om hem, die er u opmerkzaam op maakte, als om gewetenswil.

17 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het éne brood.

18 Ziet, hoe het gaat bij het Israël naar het vlees: hebben niet zij, die de offers eten, gemeenschap met het altaar?

19 Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is?

20 Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan God, en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten.

21 Gij kunt niet den beker des Heren drinken én den beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben én aan de tafel der boze geesten.

22 Of willen wij den Here tot naijver wekken? Zijn wij soms sterker dan Hij ? Deut. 32 : 21.

Liefde jegens zwakken. 23 Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.

24 Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is.

25 Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar,

26 want de aarde en haar volheid is des Heren.

Ps. 24 : 1.

27 Indien een der ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar.

28 Maar indien iemand tot u zegt: Dat is gewijd vlees, eet het dan niet, om hem, die u dat te kennen gaf, én om het geweten.

29 Het geweten bedoel ik, niet van uzelf, maar van dien ander. „En waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld door een vreemd geweten ?

30 indien ik met dankzegging aan iets deelneem, waarom wordt van mij kwaad gesproken om datgene waarvoor ik God dank zeg?"

29 Ik bedoel niet uw eigen geweten, maar dat van den ander. Waarom toch zou mijn vrijheid, op zich zelf genomen, afgemeten worden naar het geweten van een, ander ?

30 Wanneer ik na dankzegging van iets geniet, waarom zou ik gesmaald worden om iets, waarvoor ik dankzegging uitspreek?

31 [Ik antwoord:] hetzij gij eet, of dat gij drinkt, of iets anders doet, doet het al ter eere Gods.

31 Derhalve, of gij eet, of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods!

29 Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, doch dat van dien ander. Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten?

30 Indien ik onder dankzegging van iets gebruik maak, hoe kan men kwaad van mij spreken over iets, waarvoor ik dank zeg?

31 Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles te ere Gods.

32 Geeft geen aanstoot aan Joden of Grieken, noch aan de gemeente Gods.

33 Gelijkerwijs ook ik in alle dingen allen welgevallig poog te zijn, door te trachten niet naar hetgeen voor mij, maar naar hetgeen voor de groote menigte heilzaam is, opdat zij behouden mogen worden.

32 Geeft geen aanstoot aan joden of heidenen, noch aan de Kerk van God;

33 zoals ook ikzelf allen in ieder opzicht terwille ben, en niet mijn eigen belang zoek, maar dat van de grote menigte, opdat ze behouden wordt.

32 Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot;

33 zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van zeer velen, opdat zij behouden worden.