is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19 want er moeten ook wel partijen onder u zijn, opdat de betrouwbaren onder u aan den dag treden.

20 Wanneer gij dan samenkomt, dan is dat niet den maaltijd des Heeren gebruiken.

21 Want ieder neemt bij het gebruiken van den maaltijd vooraf zijn eigen deel; en de een heeft honger en de ander is dronken.

23 Want ik heb van den Heer vernomen, wat ik u ook heb overgeleverd, dat Jezus, de Heer, in den nacht, waarin hij overgeleverd werd brood nam,

24 en nadat hij de dankzegging daarover had uitgesproken, brak hij het en zeide: Dit is mijn lichaam, dat voor u wordt gegeven; doet dit tot mijne gedachtenis.

25 Insgelijks ook den beker na den maaltijd, en hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed; doet dit, zoo dikwijls gij dien drinkt, tot mijne gedachtenis.

26 Dat wil dus zeggen dat gij, zoo dikwijls gij dit brood eet en den beker drinkt, den dood des Heeren verkondigt, totdat hij komt.

27 Daarom: al wie op onwaardige wijze het brood eet, of den beker des Heeren drinkt, zal schuldig staan aan het lichaam en het bloed des Heeren.

28 Maar de mensch moet zichzelf onderzoeken, en eerst dan eten van het brood en drinken uit den beker.

29 Want wie eet en drinkt, eet en drinkt zichzelf een oordeel, wanneer hij het lichaam niet juist beoordeelt.

30 Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken, en ontslapen er niet weinigen.

31 Indien wij daarentegen onszelf juist beoordeelden, zouden wij geen oordeel ontvangen.

32 Maar naardien wij van den Heer een oordeel ontvangen, zoo worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld worden veroordeeld.

33 Daarom, mijne broeders, wanneer gij samenkomt, om te eten, wacht elkander af.

34 Indien iemand honger heeft, laat hij in huis eten, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. Het overige zal ik verordenen, wanneer ik tot u kom.

19 Want het is nodig, dat er scheuringen onder u zijn, wil het blijken, wie onder u standvastig is.

20 Wanneer gij bijeen komt, dan is dat geen nuttigen van de Maaltijd des Heren.

21 Want iedereen begint zijn eigen maal vooruit te eten; en zó is de een hongerig, de ander over-verzadigd.

De verhevenheid, der H. Eucharistie. 23 Want ik zelf heb van den Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd; dat de Heer Jesus in de nacht, dat Hij verraden werd, brood nam,

24 een dankzegging sprak, het brak en zeide: „Dit is mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd. Doet dit tot mijn gedachtenis."

25 Zo ook na de maaltijd de kelk, zeggende: „Deze kelk is het nieuwe Verbond in mijn Bloed. Doet dit, zo dikwijls gij drinkt, tot mijn gedachtenis."

26 Welnu, zo dikwijls gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gii de dood des Heren, totdat Hij komt.—

27 Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de kelk des Heren drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed des Heren.

28 Laat dus een ieder zichzelf onderzoeken, en dan eerst eten van het brood en drinken van de kelk.

29 Want wie eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel, zo hij het Lichaam niet naar waarde beoordeelt.

30 Daarom zijn er onder u zoveel zwakken en zieken, en zijn er zovelen ontslapen.

31 Zo we onszelf naar waarheid hadden beoordeeld, zouden we niet geoordeeld worden.

32 Welnu, als we door den Heer worden gèoordeeld, dan is dat voor ons een les, om niet met de wereld vèroordeeld te worden.

33 En daarom, mijn broeders, wanneer gij bijeenkomt om te eten, blijft dan op elkander wachten.

34 Zo iemand honger heeft, dan moet hij thuis maar eten. Anders komt gij tot uw oordeel bijeen. De andere zaken zal ik wel regelen, wanneer ik kom.

19 Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u den toets kunnen doorstaan.

20 Wanneer gij dan bijeenkomt, is dat niet het eten van den maaltijd des Heren;

21 want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de een hongerig is en de ander dronken.

22 Hebt gij dan geen huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij (zózeer) de gemeente Gods, dat gij de behoeftigen beschaamd maakt? Wat zal ik tot u zeggen? Zal ik u prijzen ? Op dit punt prijs ik niet.

23 Want zelf heb ik bij overlevering van den Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in den nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam,

24 God dankte, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis.

25 Evenzo ook den beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed; doet dit, zo dikwijls gij dien drinkt, tot mijn gedachtenis.

Matth. 26 : 26—28.

Mare. 14 : 22—24. Luk. 22 : 19, 20.

26 Want zo dikwijls gij dit brood eet en den beker drinkt, verkondigt gij den dood des Heren, totdat Hij komt.

27 Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of den beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en het bloed des Heren.

28 Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit den beker.

29 Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt.

30 Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.

31 Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen.

32 Maar onder het oordeel des Heren worden wij gekastijd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden.

38 Daarom, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, wacht op elkander.

34 Heeft iemand honger, laat hij thuis eten, opdat gij niet tot uw oordeel bijeenkomt.

Het overige zal ik regelen, wanneer ik kom.

22 Hebt gij dan geen huizen, om te eten en te drinken? of veracht gij de gemeente Gods en wilt gij hen die niets bezitten, beschaamd maken? Wat zal ik tot u zeggen? zal ik u prijzen? Hierin prijs ik niet.

22 Hebt gij dan geen huizen, om te eten en te drinken ? Of durft gij de kerk van God verachten, en hen, die niets bezitten, vernederen? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik u zeker niet.