is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen,

5 zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe.

6 Zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid.

7 Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij.

8 De liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen, zq zullen verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben.

'9 Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren.

10 Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben.

11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was.

12 Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben.

13 Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.

gunstig. De liefde is afkeerig van praal en blaast zich niet op.

5 Zij kwetst het gevoel voor het eerbare niet, en zoekt niet haar eigen belang. Zij laat zich niet verbitteren en houdt geen boek van het kwaad.

6 Zij verheugt zich niet over ongerechtigheid, maar zoekt hare vreugde bij waarheid.

7 Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.

8 De liefde vergaat nimmermeer. Zijn er profetieën, zij zullen te niet gaan; zijn er geestes-talen, zij zullen verstommen; is er kennis, zij zal te niet gaan.

9 Want ons kennen is stukwerk en stukwerk ons profeteeren.

10 Maar wanneer het volmaakte gekomen is, zal al wat stukwerk is, te niet gaan.

11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, oordeelde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik het kinderlijke afgelegd.

12 Want thans aanschouwen wij in een spiegel een raadselachtig beeld, maar dan zullen wij aanschouwen van aangezicht tot aangezicht; thans leer ik slechts ten deele kennen, maar dan zal ik ten volle kennen, gelijk ik zelf gekend ben.

13 Zoo blijven dan geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste daarvan is de liefde.

1 Jaagt de liefde na, en blijft dan naar de geestesuitingen streven, en dan vooral daarnaar dat gij moogt profeteeren.

Op grond der liefde profetie hooger te stellen dan spreken in geestes-taal.

2 Wie namelijk geestes-taal spreekt, spreekt niet voor menschen, maar voor God; want niemand verstaat het, doch door den Geest spreekt hij geheimenissen.

3 Maar wie profeteert, spreekt voor menschen stichting, vermaan en vertroosting.

4 Wie geestes-taal spreekt, sticht zichzelf; maar wie profeteert, sticht de gemeente.

5 Ik zou wel willen, dat gij allen geestes-taal spraakt, maar liever nog, dat gij profeteerdet. Immers hij die profeteert, is meerder dan hij die geestes-taal spreekt, tenzij hij het ook vertolkt, zoodat de gemeente stichting ontvangt.

6 Zoo dan, broeders, indien ik tot u kwam en sprak in geestes-taal, waarin zou ik u van nut zijn, indien ik niet tot u sprak met openbaring of kennis, door profetie of leering ?

7 Het is als met de onbezielde dingen, wanneer zij geluid geven, een fluit of een citer: indien zij geen verschil in toon doen hooren,

afgunstig, Niet pronkzuchtig, niet verwaand.

5 Zij handelt niet onedel, En zoekt zichzelve niet, Zij laat zich niet verbitteren, En rekent het kwade niet aan.

6 Over onrecht is zij niet blijde, Maar over de waarheid verheugd.

7 Alles bedekt zij, alles gelooft zij, Alles hoopt zij, alles duldt zij. —

8 De liefde: zij vergaat nimmer! Maar profetieën: zij houden op, En talen, zij zullen verstommen, En kennis: zij zal vergaan.

9 Want ons kennen is ten halve, Ons profeteren slechts ten dele;

10 Maar komt eens het volmaakte, Het onvolmaakte verdwijnt.

11 Toen ik een kind was, sprak ik als kind, Voelde ik als kind, dacht ik als kind;

12 Nu ik een man ben, Leg ik het kinderlijke af. Thans zien wij in een wazige spiegel; Straks aangezicht tot aangezicht. Thans ken ik slechts ten halve; Straks ten volle, zoals ik zelf ben gekend.

13 Thans blijven ze alle drie bestaan: Geloof, hoop en liefde; Maar de grootste daarvan is de liefde.

Profetie en Gave der talen. 1 Jaagt de liefde na, en streeft dan naar de Geestesgaven, doch naar het profeteren het meest.

2 Wie talen spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God; want niemand verstaat hem, maar in geestverrukking spreekt hij geheimzinnige woorden uit.

3 Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot stichting, vermaning en troost.

4 Wie talen spreekt, sticht zichzelf; maar wie profeteert, sticht de gemeente.

5 Ik wens u allen toe, dat gij in talen moogt spreken, maar meer nog, dat gij moogt profeteren; want hij die profeteert, overtreft hem, die in talen spreekt, behalve als hij het ook vertolkt, zodat de gemeente er stichting uit trekt.

6 Welnu broeders, als ik tot u kwam en in talen sprak, wat nut zou ik u stichten, zo ik niet tevens u toesprak met openbaring of kennis, met profetie of met lering?

7 H)et gaat er mee als met de levenloze muziekinstrumenten, fluit of citer; zo ze verwarde geluiden voortbrengen, hoe komt men dan

Tongen en profetieën.

1 Jaagt de liefde na en streeft |4 naar de gaven des Geestes, doch vooral naar het profeteren.

2 Want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door den Geest spreekt hij geheimenissen.

3 Maar wie profeteert, spreekt voor de mensen stichtend, vermanend en bemoedigend.

4 Wie in een tong spreekt, sticht zichzelf, maar wie profeteert, sticht de gemeente.

5 Ik wilde wel, dat gij allen in tongen spraakt, maar liever nog, dat gij profeteerdet. Wie profeteert, is meer dan wie in tongen spreekt, tenzij hij het ook uitlegt, zodat de gemeente stichting ontvangt.

6 En nu, broeders, als ik tot u kom en spreek in tongen, wat nut zal ik u brengen, als ik mij niet tot u richt, of met een openbaring, of met kennis, of met profetie, of met onderricht?

7 Hoe toch zal men zelfs bij onbezielde dingen, die geluid geven, fluit en citer, als zij geen verschil in toon doen horen, te weten ko-