is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4 Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roems over u; ik ben vervuld met vertroosting; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. Matt. 5 : 12. Hand. 5 : 41.

Filipp. 2 : 17. Kol. 1 : 24.

5 Want ook, als wij in Macedonië gekomen zijn, zoo heeft ons vleesch geene rust gehad, maar wij waren in alles verdrukt: van buiten was strijd, van binnen vrees.

Hand. 16 : 19, 23.

6 Doch God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus. 2 Kor. 1 : 4.

7 En niet alleen door zijne komst, maar ook door de vertroosting, met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uwen ijver voor mij; alzoo dat ik te meer verblijd ben geweest.

4 Ik spreek met groote vrijmoedigheid tot u; ik roem veel op u; ik ben vervuld met troost; ik ben overvloeiende van vreugde in al onze droefenis.

5 Want toen wij in Macedonië kwamen, had ons vleesch geen rust, maar overal waren wij in droefenis: van buiten strijd, van binnen vrees.

Hand. 20 : 1, 2. 2 Cor. 2 : 12.

6 Doch God, die de ternedergebogenen vertroost, troostte ons door de komst van Titus;

7 en niet alleen door zijne komst, maar ook door den troost, met welken hij getroost was over u; want hij verkondigde ons uw verlangen, uw weenen, uwen ijver voor mij; zoodat ik mij nog meer verblijdde.

4 Ik mag immers vrijmoedig tot u spreken, en mijn roem over u is groot; vol ben ik van troost, overrijk in vreugde onder al onze verdrukking.

5 Want toen wij in Macedonië kwamen, hadden wij rust noch duur, maar waren in alle opzichten benauwd; van buiten strijd, van binnen vrees.

6 Maar God, die de nederigen vertroost, vertroostte ons door de komst van Titus,

7 en niet alleen door zijn komst, maar ook door de vertroosting die hij bij u gevonden had, daar hij ons verhaalde van uw verlangen, uw klagen, uw ijver voor mij; zoodat ik mij te meer verblijdde.

8 Want hoewel ik u in den zendbrief bedroefd heb, het berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik zie, dat dezelve zendbrief, hoewel voor eenen kleinen tijd, u bedroefd heeft.

9 Nu verblijde ik mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekeering; want gij zijt bedroefd geweest naa.r God, zoodat gij in geen ding schade van ons geleden hebt.

10 Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.

2 Sam. 12 : 13. Matt. 26 : 75. Luk. 18 : 13.

11 Want ziet, ditzelfde dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe groote naarstigheid heeft het in u gewrocht? Ja, verantwoording, ja, onlust, ja, vrees, ja, verlangen, ja, ijver, ja, wraak; in alles hebt gij uzelven bewezen rein te zijn in deze zaak.

8 Want dat ik u door den brief treurig gemaakt heb, dat berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; maar dewijl ik zie, dat de brief u, hoewel voor een kleinen tijd, bedroefd heeft,

9 zoo verblijd ik mij toch nu, niet daarover dat gij zijt bedroefd geworden, maar dat gij zijt bedroefd geworden tot berouw; want gij zijt naar God bedroefd geworden, zoodat gij in niets schade van ons lijdt.

10 Want de treurigheid naar God werkt tot zaligheid een berouw, dat niemand berouwt, maar de treurigheid der wereld werkt den dood.

Matth. 26 : 75. '27 : 3—5.

11 Want zie, juist dit, dat gij naar God zijt bedroefd geworden, welke naarstigheid heeft het in u gewerkt, alsook verantwoording, verontwaardiging, vrees, verlangen, ijver, bestraffing. In alles hebt gij u bewezen rein te zijn in die zaak.

8 Dat ik u in mijn brief bedroefd heb, dat berouwt mij niet; en al had het mij berouwd, nu ik zie dat die brief u, al is het voor een korten tijd, bedroefd heeft,

9 nu verheug ik mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij door die droefenis tot inkeer zijt gekomen; want gij zijt bedroefd geweest zooals het God behaagt, zoodat gij in geenen deele door ons toedoen schadelijdt.

10 Want de droefenis die naar Gods wil is leidt tot onberouwlijke bekeering ten heil, de wereldsche droefenis heeft den dood ten gevolge.

11 Zie toch, hoe dat bedroefd zijn naar Gods wil een groote kloekheid in u heeft uitgewerkt, ja, verontschuldigingen, spijt, vrees, verlangen, ijver, strafoplegging. In allen deele hebt gij bewezen in die zaak onberispelijk te zijn.

12 Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dat is niet om diens wil, die onrecht gedaan had, noch om diens wil, dien onrecht gedaan was; maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u openbaar zou worden, in de tegenwoordigheid Gods.

12 Daarom, hoewel ik u geschreven heb, zoo is het nochtans niet geschied om hem, die leed gedaan heeft, ook niet om hem, wien leed gedaan is, maar opdat uwe naarstigheid jegens ons openbaar zou worden bij u, voor God.

12 Het doel van mijn schrijven was niet om over den beleediger of den beleedigde te spreken, maar om voor Gods aangezicht openbaar te maken, hoe kloek gij voor ons zijt opgekomen.

13 Daarom zijn wij vertroost geworden over uwe vertroosting; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden.

14 Want indien ik iets bij hem over u geroemd heb, zoo ben ik niet beschaamd geworden; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, alzoo is ook onze roem, dien ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden.

15 En zijne innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij u aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe gij hem met vreeze en beven hebt ontvangen.

13 Daarom zijn wij getroost geworden, en bij onze vertroosting hebben wij ons nog overvloediger verblijd over de blijdschap van Titus, want zijn geest is vanwege u allen verkwikt geworden.

14 Want wat ik van u bij hem geroemd heb, daarin ben ik niet te schande geworden; maar gelijk het alles waar is. wat ik tot u gesproken heb, zoo is ook onze roem bij Titus waar geworden.

15 En hij is uitermate welgezind jegens u, als hij denkt aan uw aller gehoorzaamheid, hoe gij hem met vrees en beven hebt ontvangen.

13 Zoo hebben wij onzen troost gevonden. En bij dezen onzen troost verheugden wij ons nog te meer over de blijdschap van Titus, dat zijn geest door u allen verkwikt was;

14 want indien ik mij bij hem over u eenigermate beroemd heb, dan sta ik nu niet beschaamd, maar geliik alwat wij tot u gesproken hebben op waarheid berustte, zoo is ook ons roemen bij Titus gebleken waarheid te zijn.

15 En zijn hart klopt nog te warmer voor u, nu hij zich uw aller gehoorzaamheid herinnert; hoe gij met vreezen en beven ontvangen hebt.