Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15 ten einde alles gelijk worde, zooals geschreven staat: hij die veel bezat, had niet meer, en hij die weinig bezat, niet minder.

De nieuwe opdracht aan Titus en twee anderen.

16 God zij gedankt, die denzelfden ernstigen wil te uwen behoeve in het hart van Titus gaf,

17 dat hij mijn opwekking gewillig aannam, ja, in zijn grooten ijver vrijwillig tot u ging.

18 En met hem zenden wij onzen broeder, wiens lof in zake de evangelieverkondiging door alle gemeenten verbreid is;

19 en dit niet alleen, maar hij is ook door de gemeenten verkozen tot onzen reisgenoot, bij dit genadebetoon dat door ons verricht wordt, tot eer van den Heer zelf en overeenkomstig onze eigen begeerte.

20 Want wij willen dit vermijden: dat iemand ons eenigen smet zou kunnen aanwrijven om de groote som, die door ons beheerd wordt.

15 gelijk geschreven staat: „Hij die veel had, had niet te veel; en hij die weinig had, kwam niet te kort."

Ex. 16 : 18.

16 God zij dank, die in Titus' hart zulk een ijver voor u heeft neergelegd,

17 dat hij niet slechts aan onze oproep gehoor gaf, maar geheel uit vrije beweging, en zelfs met geestdrift naar u toe is gegaan.

18 Tegelijk met hem zenden we den broeder mee, die door alle kerken om zijn evangeliewerk geprezen wordt,

19 en die bovendien door de kerken aangewezen is tot onzen reisgezel bij het liefdewerk, dat we tot glorie des Heren en tot bewijs onzer bereidvaardigheid hebben ondernomen.

20 Hierdoor voorkomen we, dat iemand ons zou verdenken bij het beheer van deze rijke gave;

15 zoals er geschreven staat: die veel (verzameld had), had niet over en die weinig (verzameld had), had niet te kort.

Ex. 16 : 18.

Zending van Titus.

16 Maar God zij gedankt, die dezelfde toewijding voor u in het hart van Titus geeft,

17 daar hij wel een opwekking van mij ontving, maar in zijn grote toewijding uit eigen beweging naar u is vertrokken.

18 En wij zonden den broeder met hem mede, wiens lof om zijn evangeliewerk door al de gemeenten (verbreid) is.

19 En dat niet alleen; hij is ook door de gemeenten als onze reisgenoot aangewezen bij dit liefdewerk, dat door ons tot eer van den Here zelf en tot betoning van onze bereidvaardigheid wordt verricht.

20 Hierdoor voorkomen wij verdachtmaking bij deze overvloedige opbrengst, die door onze handen gaat;

21 Wij toch dragen zorg voor onzen goeden naam, niet alleen bij den Heer, maar ook bij de menschen.

22 En met hen zenden wij dien broeder van ons mede, dien wij in vele omstandigheden vele malen hebben leeren kennen als van ernstigen wille te zijn, maar die het nu in veel sterker mate is door het groote vertrouwen dat hij op u stelt.

23 Wat Titus betreft, hij is onze metgezel en onze medearbeider bij u; wat onze broeders betreft, zij zijn apostelen der gemeenten en de roem van Christus.

24 Geeft hun dan, ten aanschouwen der gemeenten, het bewijs van uwe liefde, en van ons recht om tegenover hen op u te roemen.

Tweede behandeling der geldinzameling. Opwekking om gereed te zijn.

1 Wat betreft het dienstbetoon voor de geheiligden, het is voor mij overbodig, u daarover te schrijven;

2 want ik ken uwe bereidwilligheid, waarvan ik tegenover de Macedoniërs roemend pleeg te zeggen: „Achaje heeft zich reeds sedert het vorig jaar daarop voorbereid gehouden"; en uw ijver heeft het meerendeel hunner aangespoord.

3 Maar ik heb de broeders gezonden, opdat ons roemen over u op dit punt geen holle woorden zou blijken te zijn.

21 want we zijn bedacht op de goede schijn, niet slechts in de ogen des Heren, maar ook in de ogen der mensen.

22 Met hen beiden zenden we onzen broeder mee( dien we vaak in veel zaken vol ijver bevonden, en die thans met nog meer ijver is bezield door zijn groot vertrouwen op u.

23 Wat Titus betreft, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; wat de broeders aangaat, ze zijn afgevaardigden der kerken, de glorie van Christus.

24 Welnu dan, levert hun ten overstaan der kerken het onomstotelijk bewijs van üw liefde, en van óns recht, om te roemen op u.

1 Het schijnt me geheel overbodig, u te schrijven over de ondersteuning zelf van de heiligen.

2 Want ik ken uw 'bereidwilligheid, en ik heb zelfs daarom bij de Macedoniërs over u geroemd, dat Achaja reeds verleden jaar gereed was, en dat uw ijver zeer velen heeft geprikkeld.

3 Maar wel zend ik de broeders af, opdat ons roemen over u op dit punt niet ongegrond zou blijken, en gij inderdaad gereed zult zijn, zoals ik dit heb beweerd;

21 want wij zijn bedacht op hetgeen behoorlijk is, niet alleen voor het oog des Heren, maar ook voor dat der mensen.

22 Wij zonden met hen onzen broeder mede, wiens toewijding in vele zaken wij dikwijls hebben leren waarderen, maar die thans nog veel meer toegewijd is door zijn groot vertrouwen in u.

23 Enerzijds, wat Titus betreft, hij is mijn medestander en mijn medewerker bij u, anderzijds zijn onze broeders gezanten der gemeenten en een eer van Christus. 241 Geeft hun dus voor de ogen der gemeenten het bewijs van uw liefde en van ons roemen over u.

De collecte voor Jeruzalem. 1 Want over den dienst, dien gij 9 den heiligen betoont, u nog te schrijven, acht ik overbodig;

2 want ik weet van uw bereidvaardigheid, op grond waarvan ik bij de Macedoniërs over u roem, dat Achaje sinds verleden jaar gereed staat, en uw ijver heeft de meesten (tot navolging) geprikkeld.

3 Maar ik zend deze broeders, opdat onze roem over u in deze aangelegenheid niet ongegrond blijke, doch gij gereed moogt zijn, zoals ik er over sprak.

4 opdat niet, indien er Macedoniërs met mij zouden medekomen en zij u niet gereed zouden vinden, wij — om niet te zeggen: gij — in deze stellige verwachting zouden beschaamd worden.

5 Ik achtte het dus noodzakelijk de broeders op te wekken, van te voren tot u te gaan en uw vroeger toegezegde milde gave vooraf in gereedheid te brengen, zodat

4 En ik zou willen dat gij, gelijk ik zeide, geheel voorbereid waart, ten einde niet, wanneer de Macedoniërs met mij medekomen en u onvoorbereid zouden vinden, wij — om niet te zeggen gij — in dit ons vertrouwen te schande worden gemaakt.

5 Ik achtte het dus noodzakelijk, de broeders op te wekken, om vooruit naar u af te reizen en uwe vroeger aangekondigde liefdegave van te voren in gereedheid te

4 anders zouden wij — om van u niet te spreken — om dit vast vertrouwen misschien nog beschaamd moeten staan, als de Macedoniërs met me meekomen, en u niet gereed zouden vinden.

5 Ik oordeelde het dus nodig, de broeders te verzoeken, mij vooruit te reizen naar u toe, en uw milde gave, die ik bij voorbaat had toegezegd, in orde te brengen,

Sluiten