is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

m

15 Zoo is het dan niets groots, indien ook zijne dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hunne werken.

Lijden van Paülus voor het Evangelie.

16 Ik zeg wederom, dat niemand meene, dat ik onwijs ben; doch zoo niet, neemt mij dan aan als eenen onwijze, opdat ik ook een weinig moge roemen.

17 Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond der roeming.

18 Dewijl velen roemen naar het vleesch, zoo zal ik ook roemen.

2 Kor. 10 : 13. 12 : 5, 6.

19 Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt.

20 Want gij verdraagt het, zoo u iemand dienstbaar maakt, zoo u iemand opeet, zoo iemand van u neemt, zoo zich iemand verheft, zoo u iemand in het aangezicht slaat.

21 Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout. Filipp. 3 : 4.

22 Zijn zij Hebreen? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.

Hand. 22 : 3.

23 Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal.

1 Kor. 15 : 10. Hand. 9 : 16. 21 : 11. 2 Kor. 6 : 4.

24 Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Deut. 25 : 3.

25 Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen ganschen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. Hand. 16 : 22.

Hand. 14 : 19. Hand. 27 : 9, 41.

26 In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valsche broeders;

27 In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.

28 Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten.

Hand. 20 : 18.

29 Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben ? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande ?

1 Kor. 8 : 13.

15 Daarom is het niets groots, dat ook zijne dienaars zich voordoen als predikers der gerechtigheid, wier einde zal zijn naar hunne werken.

30 Indien men moet roemen, zoo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid.

31 De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die geprezen is in der eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg.

Rorn. 1 : 9. 9 : 1. 2 Kor. 1 : 23. Gal. 1 : 20. Filipp. 1 : 8. 1 Thess. 2 : 5.

16 Ik zeg nog eens, dat niemand meene, dat ik dwaas ben; doch zoo niet, neemt mij dan als een dwaas, opdat ik mij ook een weinig beroeme.

17 Wat ik nu spreek, dat spreek ik niet als in den Heer, maar als in dwaasheid, daar wij tot het roemen gekomen zijn.

18 Dewijl er velen zich beroemen naar het vleesch, zoo zal ik mij ook beroemen.

19 Want gij verdraagt gaarne de dwazen, dewijl gij verstandig zijt;

20 gij verdraagt het, zoo iemand u tot dienstbaarheid brengt, zoo iemand u opeet, zoo iemand u vangt, zoo iemand u trotseert, zoo iemand u in het aangezicht slaat.

21 Ter oneer zeg ik het, dat wij zwak waren geworden; maar waar iemand stout op is — ik spreek in dwaasheid —, daar ben ik ook stout op.

22 Zijn zij Hebreen? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij Abrahams zaad? Ik ook.

Fil. 3 : 4, 5.

23 Zijn zij dienaars van Christus? — Ik spreek dwaas — ik nog meer, ik heb meer gearbeid, ik heb meer slagen geleden, ik ben meermalen gevangen, dikwijls in doodsnooden geweest;

1 Cor. 4 : 9—13. 2 Cor. 4 : 8—11. 6 : 4—10.

24 van de Joden heb ik vijfmaal ontvangen veertig slagen min één;

Deut. '25 : 3.

25 ik ben driemaal gegeeseld, éénmaal gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een dag en nacht heb ik doorgebracht op de diepte der zee;

Hand. 14 : 19. 16 : 22.

26 ik heb dikwijls gereisd, ik ben in gevaar geweest te water, in gevaar onder de roovers, in gevaar onder mijn volk, in gevaar onder de heidenen, in gevaar in de steden, in gevaar in de woestijnen, in gevaar op de zee, in gevaar onder de valsche broeders;

27 in moeite en arbeid, in veel waken, in honger en dorst, in veel vasten, in koude en naaktheid.

28 Behalve hetgeen ik buitendien reeds heb, heb ik nog mijn dagelijkschen toeloop, en de zorg voor alle gemeenten.

29 Wie is er zwak, met wien ik niet mede zwak ben? Wie wordt geërgerd, dat ik niet brande?

1 Cor. 8 : 13. 9 : 22.

Waarin Paulus roemen wil.

30 Indien ik mij beroemen moet, zoo zal ik mij op mijne zwakheid beroemen. 2 Cor. 12 : 5.

31 De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die geloofd zij in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.

Gal. 1 : 20.

15 Dus is het niets bijzonders dat zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid. Hun eind zal zijn overeenkomstig hun werken.

Getergd door zijn tegenstanders, beroemt Paulus zich op zijn afkomst en op zijn lijden.

16 Nog eenmaal zeg ik: Niemand houde mij voor een dwaas. Anders, ziet mij dan maar voor een dwaas aan; opdat ik ook een weinig moge roemen.

17 Wat ik nu ga zeggen is niet naar des Heeren zin, maar als in dwaasheid gezegd, daar het nu eens op roemen aankomt.

18 Omdat velen zich op uitwendige voorrechten beroemen, zal ik het ook doen.

19 Want gij verstandige menschen, gij verdraagt met genoegen de dwazen;

20 immers, gij verdraagt het als iemand over u den baas speelt, u uitzuigt en voor den gek houdt, op u neerziet, u in het gezicht slaat.

21 Tot mijn schande moet ik zeggen, daartoe waren wij te zwak. Maar waarin een ander durft roemen — ik spreek in dwaasheid — durf ik het ook.

22 Zijn zij Hebreën? Ik ook. Israëlieten? Ik ook. Zaad Abrahams? Ik ook.

23 Dienaren van Christus? Ik spreek in waanzin — ik meer dan zij. Want ik weet meer te spreken van zwaren arbeid, meer van gevangenschappen; voor zijn zaak had ik van geeselingen rijkelijk mijn deel en verkeerde ik herhaaldelijk in doodsgevaar.

24 Van de Joden heb ik vijfmaal veertig min éen slagen gekregen,

25 driemaal heb ik stokslagen gehad, eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eens was ik een etmaal een speelbal der golven.

26 Gevaren heb ik menigmaal doorstaan: op reis, door rivieren, door roovers, van mijn volksgenooten en van heidenen, in de stad, in de woestijn, op zee, onder valsche broeders,

27 in zwaren arbeid en nood, dikwijls in nachtwaken, in honger en dorst, dikwijls in vasten, in koude en naaktheid.

28 Daarenboven die dagelijks weerkeerende beslommeringen: de zorg voor al de gemeenten!

29 Wie is zoo zwak als ik? Wie ergert zich waar ik niet gloei van ergernis ?

30 Moet er geroemd worden, dan wil ik mij beroemen op mijn zwakheid.

31 De God en Vader van den Heer Jezus, Hij die geloofd zij in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg —