is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

Onstandvastigheid der Galaten. Paulus' verdediging van zijn apostelambt.

6 Ik verwonder mij, dat gij zoo haast wijkende van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie.

7 Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeeren.

Hand. 15 : 1.

8 Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigende, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. 2 Kor. 11 : 4.

9 Gelijk wij te voren gezegd hebben, eoo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.

10 Want predik ik nu de menschen, of God? Of zoek ik menschen te behagen ? Want indien ik nog menschen behaagde, zoo ware ik geen dienstknecht van Christus.

1 Thess. 2 : 4. Jakob. 4 : 4.

5 wien eere zij van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen.

Maar één Evangelie.

6 Ik verwonder mij, dat gij u zoo schielijk laat afwenden van hem, die u geroepen heeft in de genade van Christus, tot een ander Evangelie, daar er immers geen ander is; Gal. 5 : 10. Hand. 15 : 1.

7 maar er zijn sommigen, die u verwarren en het Evangelie van Christus willen veranderen.

8 Doch al ware het ook, dat wij, of een Engel van den hemel u een ander Evangelie prediken zou dan hetgeen wij u gepredikt hebben, die zij vervloekt! 1 cor. 16 : 22.

9 Gelijk wij te voren gezegd hebben, zoo zeg ik ook nu wederom: indien iemand u een ander Evangelie predikt dan hetgeen gij ontvangen hebt, hij zij vervloekt!

10 Want tracht ik ook nu menschen voor mij te winnen, of God! Of zoek ik menschen te behagen? Indien ik nog menschen zocht te behagen, zoo was ik Christus' dienstknecht niet. 1 Thess. '2 : 4.

5 Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid, Amen.

Afval der Galatiërs. Paulus' heilsleer door een openbaring van Christus ontvangen.

6 Het verwondert mij dat gij zoo spoedig van hem die u door de genade van Christus geroepen heeft afvalt tot een andere heilsleer.

7 Het is geen andere. Maar sommigen brengen u in de war en willen de blijmare van Christus verdraaien.

8 Edoch, al verkondigen wij of een engel uit den hemel u een heilsleer die afwijkt van die welke wij u verkondigd hebben, hij zij vervloekt!

9 Zooals wij vroeger hebben gezegd, en ik nu herhaal, wanneer iemand u iets verkondigt in strijd met hetgeen gij hebt ontvangen, hij zij vervloekt!

10 Nu tracht ik toch niet menschen of God over te halen of menschen te behagen? Indien ik aan menschen behaagde, zou ik geen dienaar van Christus zijn.

11 Maar ik maak u bekend, broeders! dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mensch. 1 Kor. 15 : 1.

12 Want ik heb ook hetzelve niet van een mensch ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.

Efez. 3 : 3.

Paulus rechtstreeks geroepen.

11 Want ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk door mij gepredikt is, niet is naar den mensch;

12 want ik heb het van geen mensch ontvangen, noch geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.

11 Want ik verklaar u, broeders, dat de door mij verkondigde blijmare niet van menschelijken oorsprong is;

12 immers, ik heb haar niet van een mensch gekregen of overgenomen, maar door een openbaring van Jezus Christus.

13 Want gij hebt mijnen omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte;

Hand. 8 : 3. 9 : 1. 22 : 4. 26 : 9. Filipp. 3 : 6. 1 Tim. 1 : 13.

14 En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijnen ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijne vaderlijke inzettingen.

15 Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijne genade,

Hand. 9 : 15. 13 : 2.

16 Zijnen Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zoo ben ik terstond niet te rade gegaan met vleesch en bloed;

Hand. 9 : 15. 13 : 2. 22 : 21. Gal. 2 : 8. Efez. 3 : 8. Matt. 16 : 17.

17 En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabië, en keerde wederom naar Damaskus.

18 Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen.

13 Want gij hebt immers wel gehoord van mijnen vorigen wandel in het Jodendom, dat ik bovenmate Gods gemeente vervolgde en verwoestte,

Hand. 8 : 3. Fil. 3 : 5, 6.

14 en dat ik mij onderscheidde in het Jodendom, boven velen van mijnen leeftijd in mijn geslacht, en bovenmate ijverde voor de vaderlijke instellingen.

15 Maar toen het Gode behaagde, die mij van den moederschoot af heeft afgezonderd en geroepen door zijne genade,

Hand. 9 : 15.

16 dat Hij zijnen Zoon in mij openbaarde, opdat ik hem door het Evangelie verkondigen zou onder de heidenen, ben ik niet terstond met vleesch en bloed te rade gegaan,

Hand. 9 : 1—35.

17 en ging ook niet naar Jeruzalem tot degenen, die vóór mij apostelen waren, maar trok heen naar Arabië en keerde wederom naar Damaskus.

18 Daarna kwam ik, na drie jaren, te Jeruzalem om Petrus te leeren kennen en bleef vijftien dagen bij hem;

Hand. 9 : 26.

13 Gij hebt toch gehoord, hoe ik vroeger in het Jodendom leefde, dat ik de gemeente Gods heftig vervolgde en trachtte te verdelgen,

14 ja, in Joodsche wijze van denken en doen vele mijner tijdgenooten onder mijn volk overtrof, daar ik een nog grooter ijveraar was voor mijn voorvaderlijke instellingen.

15 Toen het nu Hem die mij van den moederschoot af uitverkoren en door zijn genade geroepen heeft behaagde

16 zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik hem onder de heidenen zou prediken, ben ik van den aanvang af niet met vleesch en bloed teradegegaan

17 en heb ik mij niet naar Jeruzalem begeven tot hen die vóór mij apostelen waren, maar ben naar Arabië vertrokken en van daar naar Damaskus teruggekeerd.

18 Drie jaar later ben ik naar Jeruzalem gegaan om met Kef as kennis te maken, en ben vijftien dagen bij hem gebleven.