Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1—2 : 9 1. G.

19 Maar van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve alleen Jakobus, den broeder des Heeren.

20 Wat ik u schrijf, zie, voor Gods aangezicht betuig ik, dat ik het niet lieg.

21 Vervolgens ben ik naar de aan zee gelegen deelen van Syrië en Cilicië gegaan.

22 Maar aan de Christengemeenten in Judea ben ik persoonlijk onbekend gebleven.

23 Zij vernamen alleen bij geruchte: hij die ons weleer vervolgde, brengt nu de vreugdeboodschap van het geloof dat hij eens zocht te vernietigen.

24 En zij loofden God om mijnentwil.

Paulus, voor de tweede maal te Jeruzalem, verzet zich tegen de Judaïsten.

1 Vervolgens ben ik, na verloop van dertien jaren, weder opgegaan naar Jeruzalem met Barnabas, terwijl ik ook Titus medenam.

2 Dit deed ik ten gevolge van een openbaring. En ik heb hun het evangelie voorgelegd, dat ik onder de heidenen predik •— hun die in aanzien staan, in besloten kring —, om zeker te zijn dat ik niet vruchteloos mij inspande of had ingespannen.

3 Maar zelfs Titus, mijn reisgezel, die een Griek was, werd niet genoodzaakt, zich terwille van de heimelijk toegelaten valsche broeders te laten besnijden, —

4 lieden die binnengeslopen waren, om onze vrijheid, welke wij in Christus Jezus bezitten, te belagen, ten einde ons geheel tot dienstbaarheid te brengen.

5 Doch wij hebben hun zelfs niet een uur in onderworpenheid toegegeven, opdat de waarheid van het evangelie bij u verblijven mocht.

Paulus door de oudste apostelen erkend.

6 Op gezag evenwel van hen die in aanzien stonden, iets te zijn — hoe groot hun aanzien ook mocht wezen —, dat beteekent voor mij niets; God neemt niet het uiterlijk eens menschen aan. Want aan mij hebben zij die in aanzien staan, verder geen verplichting opgelegd.

7 Integendeel, toen zij gezien hadden, dat mij het evangelie voor de heidenwereld was toevertrouwd, gelijk aan Petrus dat voor de Joden

8 — want hij die aan Petrus kracht had geschonken tot het apostelschap voor de Joden, hij had ook mij de kracht geschonken voor de heidenen —,

9 en toen zij de genade die mij verleend was, erkend hadden, gaven Jakobus, Cefas en Johannes, die als steunpilaren golden, aan mij en Earnabas de hand der gemeenschap, opdat wij naar de heidenen en zij naar de Joden zouden gaan.

19 maar van de andere apostelen heb ik niemand gezien dan Jakobus, den broeder des Heren.

20 Voor het aanschijn Gods: ziet, ik lieg niet, bij wat ik u schrijf. -—

21 Daarna ben ik naar de gewesten van Syrië en Cilicië vertrokken.

22 Ik was dus persoonlijk onbekend aan de kerken van Judea, die in Christus zijn.

23 Ze hadden alleen horen zeggen : Hij die ons eertijds vervolgde, hij preekt thans het geloof, dat hij vroeger verwoestte;

24 en ze verheerlijkten God om mij.

Paulus' Evangelie goedgekeurd door de apostelen.

1 Veertien jaar later ging ik opnieuw naar Jerusalem tezamen met Barnabas, en nam ook Titus met me mee;

2 ik ging er heen op grond ener openbaring. En ik legde hun, en heel in het bijzonder aan de mannen van aanzien, het Evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig; om te weten, of ik soms niet nutteloos liep of gelopen had.

3 Welnu, Titus, die bij me was, werd niet genoodzaakt, zich te laten besnijden, ofschoon hij heiden was;

4 zelfs niet ten believen van de ingeslopen valse broeders, die onze vrijheid kwamen bespieden, welke we in Christus Jesus bezitten, om ons tot slavernij te brengen.

5 Geen ogenblik hebben we hun iets toegegeven, opdat de waarheid van het Evangelie ongerept voor u zou blijven bewaard.

6 En wat de mannen betreft, die in aanzien bleken te staan, — wat ze feitelijk waren, gaat me niet aan; God kent geen aanzien van personen, — die mannen van aanzien hebben me verder niets opgelegd.

7 Integendeel, toen ze gezien hadden, dat aan mij de prediking onder de onbesnedenen was toevertrouwd, zoals aan Petrus die onder de besnedenen,

8 (want Hij, die aan Petrus de kracht heeft geschonken voor het apostolaat onder de besnedenen, heeft ook aan mij de kracht geschonken voor de heidenen),

9 en toen ze de genade hadden erkend, die mij was geschonken, toen hebben Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren gelden, mij en Barnabas de broederhand gereikt. Wij zouden dus tot de heidenen gaan, en zij tot de besnedenen;

19 en ik zag geen ander van de apostelen dan Jacobus, den broeder des Heren.

20 Wat ik u schrijf, zie, voor het aangezicht van God, ik lieg niet.

21 Daarna ben ik gegaan naar de streken van Syrië en van Cilicië.

22 En ik was aan de gemeenten van Christus in Judéa van aanzien onbekend.

23 Alleen hoorden zij telkens: hij, die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof, dat hij te voren trachtte uit te roeien.

24 En zij verheerlijkten God in mij.

Paulus door de apostelen erkend.

1 Daarna ging ik na verloop van -y veertien jaar weder naar Jeruzalem met Barnabas en nam ook Titus mede;

2 en ik ging op grond van een openbaring. En ik legde hun het evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig, afzonderlijk echter aan hen, die in aanzien waren, opdat ik niet vruchteloos liep of gelopen had.

3 Maar zelfs Titus, die bij mij was, werd, ofschoon hij een Griek was, toch niet gedwongen zich te laten besnijden;

4 en dat met het oog op de binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden, en zo ons tot slavernij te brengen.

5 Wij zijn voor hen geen ogenblik gedwee uit den weg gegaan, opdat de waarheid van het evangelie ook verder bij u zou blijven.

6 Maar wat hen betreft, die in zeker aanzien waren — wat zij vroeger geweest mogen zijn, doet er voor mij niets toe: God ziet den persoon niet aan — mij immers hebben zij, die in aanzien waren, verder niets opgelegd.

7 Maar integendeel: toen zij zagen, dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan de besnedenen, —

8 immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen, —

9 en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jacobus, Céphas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan.

Sluiten