Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld.

3 Alzoo wij ook, toen wij kinderen waren, zoo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.

4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet;

Gen. 49 : 10. Dan. 9 : 24. Matt. 5 : 17.

5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.

Joh. 1 : 12. Gal. 3 : 26.

6 En overmits gij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, Die roept: Abba, Vader!

Rom. 8 : 15.

7 Zoo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zoo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.

8 Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geene goden zijn;

l Kor. 8 : 4.

9 En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?

Kol. 2 : 20.

10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.

Rom. 14 : 5. Kol. 2 : 16.

11 Ik vrees voor u, dat ik niet eenigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.

verzorgers tot op den tijd, door den vader bestemd.

3 Alzoo ook wij, toen wij kinderen waren, waren wij dienstbaar onder de eerste beginselen der wereld;

Col. 2 : 20.

4 maar toen de tijd vervuld was, zond God zijnen Zoon, geboren uit eene vrouw, geboren onder de Wet,

Efez. 1 : 10.

5 opdat hij degenen, die onder de Wet waren, zou verlossen, opdat wij het kindschap ontvangen zouden.

6 Dewijl gij dan kinderen zijt, zoo heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader!

Rom. 8 : 15.

7 Zoo zijt gij dan niet meer een knecht, maar een kind; en indien gij een kind zijt, zoo zijt gij ook een erfgenaam Gods door Christus.

Terugval na de eerste aanneming.

8 Maar in dien tijd, toen gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn;

9 maar nu gij God hebt leeren kennen, ja veelmeer door God gekend zijt, hoe wendt gij u dan wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij op nieuw wilt dienen?

10 Gij onderhoudt dagen en maanden en feesten en jaargetijden.

Col. '2 : 16.

11 Ik vrees voor u, dat ik misschien tevergeefs aan u gearbeid heb.

beheerders van zijn vermogen tot het tijdstip dat zijn vader vooraf bepaald heeft.

3 Zoo werden ook wij, toen wij onmondig waren, als slaven behandeld onder de natuurmachten;

4 maar toen de bepaalde tijd verstreken was, heeft God zijn Zoon gezonden geboren uit een vrouw, gebracht onder de wet,

5 opdat hij hen die in de macht der wet waren zou loskoopen, en wij het zoonschap zouden verkrijgen.

6 Omdat gij zonen zijt, heeft God den geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, den geest die: Abba, Vader — roept.

7 Dus zijt gij niet meer slaaf, maar zoon; en indien zoon, dan erfgenaam — door God.

8 Weliswaar hebt gij vroeger, toen gij God niet kendet, goden gediend die inderdaad geen goden zijn;

9 maar hoe kunt gij, nu gij God hebt leeren kennen — ja, wat meer zegt, nu gij door God erkend zijt — hoe kunt gij terugkeeren tot die zwakke, armzalige natuurmachten en ze van voren af aan willen dienen?

10 Gij onderhoudt dagen, maanden, feesttijden, jaren!

11 Ik vrees dat ik vergeefs mij voor u zooveel moeite gegeven heb.

12 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders! ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan.

13 En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleesches het Evangelie de eerste maal verkondigd heb;

14 En mijne verzoeking, die in mijn vleesch geschiedde, hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan als eenen engel Gods, ja, als Christus Jezus.

Mal. 2 : 7. Matt. 10 : 40. Joh. 13 : 20.

15 Welke was dan uwe gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zoo het mogelijk ware, uwe oogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben.

16 Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende?

17 Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren.

Rom. 10 : 2. 2 Kor. 11 : 12.

18 Doch in het goede te allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk, als ik bij u tegenwoordig ben;

19 Mijne kinderkens! die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus eene gestalte in u krijge.

1 Kor. 4 : 15. Fi'lem. vs. 10. Jakob. 1 : 18.

12 Wordt toch als ik; want ook ik ben geworden als gij; broeders, ik bid u.

13 Gij hebt mij geen leed gedaan; maar gij weet, dat ik u in zwakheid van het vleesch het evangelie voorheen gepredikt heb,

14 en mijne aanvechtingen, die ik in het vleesch geleden heb, hebt gij niet veracht noch verfoeid, maar gij naamt mij aan als een Engel Gods, ja als Christus Jezus.

15 Hoe waart gij te dier tijd zoo zalig! Want ik geef u getuigenis, dat gij, indien het mogelijk geweest was, uwe oogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben.

16 Ben ik dan uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid voorhoud ?

17 Zij ijveren niet recht om u, maar zij willen u van mij afvallig maken, opdat gij om hen zoudt ijveren.

18 Het is goed altijd te ijveren in het goede, en niet alleen als ik bij u tegenwoordig ben,

1 Cor. 4 :15.

19 mijne kinderen, die ik wederom met angsten baar, totdat Christus in u eene gestalte verkrijge;

12 Ik bid u, broeders, wordt als ik: want ik ben geworden als gij. Mij persoonlijk hebt gij geenerlei onrecht aangedaan;

13 gij weet dat ik den eersten keer in zieken toestand u de Blijmare verkondigd heb,

14 en gij hebt mij niet, om mijn lichamelijken toestand, die u op de proef stelde, geminacht en uitgespuwd, maar gij hebt mij als een engel Gods, ja, als Christus Jezus, ontvangen.

15 Waar is nu de geestdrift gebleven waarmee gij u zalig preest ? Want ik kan van u getuigen dat gij zoo mogelijk uw oogen uitgerukt en mij gegeven zoudt hebben.

16 Zoo ben ik dan uw vijand geworden door u de waarheid te verkondigen ?

17 Zij hebben een verkeerden ijver voor u, en willen u buitensluiten, opdat gij voor hen zoudt ijveren.

18 Maar het is plicht voor een goede zaak te allen tijde te ijveren, en niet alleen wanneer ik bij u ben,

19 o mijn kinderen, voor wie ik opnieuw barensweeën uitsta, totdat Christus een gestalte in u krijgt.

Sluiten