Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beheerders tot den door zijn vader bepaalden termijn.

3 Zoo was het ook met ons: toen wij onmondig waren, waren wij dienstbaar aan de wereldgeesten.

4 Maar toen de volheid des tijds was aangebroken, heeft God zijn Zoon uitgezonden; geboren van een vrouw, onderworpen aan de wet;

5 teneinde hen die onder de wet stonden, los te koopen, opdat wij tot kinderen zouden worden aangenomen.

6 Omdat gij nu kinderen zijt, heeft God in uwe harten den Geest zijns Zoons uitgezonden, die roept: Abba, Vader!

7 Derhalve zijt gij niet meer een slaaf, maar een kind; en indien een kind, dan ook erfgenaam, door God.

De Galaten in oude dwaling teruggevallen.

8 Toenmaals, als gij God niet kendet, diendet gij goden die het in werkelijkheid niet zijn.

9 Maar thans, nu gij God hebt leeren kennen, of liever nog, nu gij door God gekend zijt, — hoe kunt gij nu weder tot de zwakke en armzalige wereldgeesten terugkeeren, wier dienst gij nu weder van voren af aan wilt aanvangen ?

10 Gij neemt dagen en maanden, tijden en jaren in acht -—

11 ik vrees, dat ik mij tevergeefs voor u veel moeite heb gegeven.

De Galaten aan hun eerste liefde herinnerd.

12 Wordt zooals ik ben, omdat ook ik ben geworden zooals gij, broeders; ik smeek het u. Gij deedt mij geen onrecht, neen!

13 maar gelijk gij weet, heb ik u een vorigen keer ten gevolge van een ziekte het evangelie verkondigd;

14 en ten aanzien van wat in mijn lichamelijken toestand voor u een beproeving was, hebt gij geen verachting of afkeer aan den dag gelegd; maar gij hebt mij als een engel Gods opgenomen, als Christus Jezus zelf.

15 [Gij preest u zalig:] Waar blijft nu uwe zaligprijzing ? Want ik betuig u: gij zoudt, zoo mogelijk, u de oogen hebben uitgerukt, om ze mij te geven.

16 Ben ik nu dan uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid heb gezegd?

17 Zij zoeken u met ijver, maar niet met eerlijke bedoeling; doch zij willen u afzonderen, opdat gij met ijver hen zoudt zoeken.

18 Maar goed is het, met ijver gezocht te worden in een goede zaak. altoos, en niet alleen wanneer ik bij u ben, o mijn kinderen,

19 om wie ik wederom geboortesmarten lijd, totdat Christus in u gestaltenis verkrijgt.

beheerders tot aan de tijd, die door zijn vader is bepaald. —

3 Zó ook waren wij, toen we nog onmondig waren, als slaven onderworpen aan de leerbeginselen der wereld.

4 Maar toen de volheid van de tijd was gekomen, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren, en die geboren werd onder de Wet,

5 opdat Hij allen zou loskopen, die staan onder de Wet, en wij het kindschap zouden beërven.

6 En het bewijs, dat gij kinderen zijt: God heeft den Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, en Deze roept: Abba, Vader!

7 Ge zijt dus geen slaaf meer, maar kind; zijt ge kind, dan zijt ge ook erfgenaam, dank zij God.

8 Zeker, vroeger hebt gij God niet gekend, en zijt gij goden gaan dienen, die het in werkelijkheid niet zijn;

9 maar thans, nu gij God kent, of liever nog, door God wordt gekend, hoe zoudt gij u weer gaan wenden tot die zwakke en onbeduidende leerbeginselen, wier slaven gij weer worden wilt?

10 Gij viert dagen en maanden, seizoenen en jaren?

11 Ik ben bang, dat ik misschien vruchteloos voor u heb gezwoegd!

12 Ik smeek u, broeders, wordt zoals ik; want ik werd aan u gelijk. — Nog nooit hebt gij mij enig verdriet aangedaan.

13 Gij herinnert u toch, hoe ik u de eerste keer in lichaamszwakte het Evangelie verkondigd heb;

14 en hoe gij me niet met smaad en minachting hebt bejegend om de beproeving, die mijn lichaam u bracht, maar hoe gij me hebt ontvangen als een engel van God, als Christus Jesus zelf.

15 Waar is nu uw zalig geluk gebleven; want ik kan van u getuigen, dat gij zo mogelijk u de ogen zoudt hebben uitgerukt, en ze aan mij zoudt hebben gegev-en!

16 Ben ik dan uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid zeg? —

17 Zij ijveren voor u, maar niet met zuivere bedoeling; maar ze trachten u van mij te vervreemden, opdat gij zoudt ijveren voor hen.

18 Zeker, het valt te prijzen, wanneer er geijverd wordt; maar dan voor het goede en te allen tijde; niet slechts als ik ibij u ben.

19 Mijn kinderkens, voor wie ik opnieuw barensweeën moet lijden, eer Christus in u is gevormd:

toezicht tot op het tijdstip, dat door zijn vader te voren bepaald was.

3 Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de krachten der wereld.

4 Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet,

5 om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen.

6 En, dat gij zonen zijt — God heeft den Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader.

7 Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God.

8 Maar in den tijd, dat gij God niet kendet, hebt gij goden gediend, die het eigenlijk niet zijn.

9 Nu gij echter God hebt leeren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke krachten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken?

10 Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar.

11 Ik vrees, dat ik mij enigermate tevergeefs voor u ingespannen heb.

Een dringende bede.

12 Weest zoals ik, bid ik u, broeders, omdat ook ik ben zoals gij. Gij hebt u ten opzichte van mij niets te verwijten.

13 Ja, gij weet, dat ik aan u de eerste maal, omdat ik ziek geworden was, het evangelie verkondigd heb,

14 en toch hebt gij de verzoeking, die er voor u in mijn lichamelijken toestand gelegen was, niet als iets verachtelijks beschouwd of er tegen gespuwd, maar gij hebt mij ontvangen als een bode Gods, (ja), als Christus Jezus.

15 Gij hebt u toen gelukkig geprezen; wat is daarvan over? Want ik kan van u getuigen, dat gij, ware het mogelijk geweest, uw ogen uitgerukt en ze mij gegeven zoudt hebben.

16 Ben ik dus een vijand van u geworden, nu ik u de waarheid zeg?

17 Zij zijn vol ijver voor u, maar niet op de juiste wijze, want zij willen u buitensluiten, opdat gij vol ijver voor hen zoudt zijn.

18 Nu is het uitnemend, dat er ijver getoond wordt in het goedg, mits te allen tijde en niet alleen, wanneer ik bij u ben,

19 mijn kinderen, ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat de gestalte van Christus in u zichtbaar wordt;

Sluiten