is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tenis aan mij bij u weder verlevendigd is; gij waart daartoe wel gezind, maar de tijden lieten het niet toe.

11 Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek, want ik heb geleerd in hetgeen ik ben mij te vergenoegen;

1 Tim. 6 : 8.

12 ik weet vernederd te worden en ik weet overvloed te hebben; alleszins en in alles heb ik geleerd, zoowel verzadigd te worden als honger te lijden, overvloed zoowel als gebrek te hebben.

eenmaal wederom vérwakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad.

2 Kor. 11 : 9.

11 Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben.

1 Tim. 6 : 6.

12 En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden.

1 Kor. 4 : 11. 2 Kor. 11 : 27.

13 Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.

14 Nochtans hebt gij wel gedaan, dat gij met mijne verdrukking gemeenschap gehad hebt.

15 En ook gij, Filippensen! weet, dat in het begin des Evangelies, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geene Gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen.

2 Kor. 11 : 9.

16 Want ook in Thessalonica hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden, tot nooddruft.

17 Niet dat ik de gave zoek, maar 17 Niet dat ik het geschenk zoek, ik zoek de vrucht, die overvloedig maar ik zoek de vrucht, die in is tot uwe rekening. uwe rekening overvloedig is.

13 Ik vermag alles door hem, die mij machtig maakt, Christus.

2 Cor. 12 : 9, 10.

14 Doch gij hebt wèl gedaan, dat gij u mijne droefenis aangetrokken hebt.

15 Gij Pilippiërs weet ook zelve, dat van het begin des Evangelies af, toen ik vertrok uit Macedonië, geen gemeente met mij eene rekening heeft gemaakt om voor mij te geven naar hetgeen zij ontvangen heeft, dan gij alleen.

2 Cor. ll: 9.

16 Want naar Thessalonika zondt gij tot mijne nooddruft eenmaal en daarna nog eenmaal.

18 Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u

gezonden was, als eenen welriekenden reuk, eene aangename offerande, Gode welbehagelijk.

Hebr. 13 : 16.

19 Doch mijn God zal naar Zijnen rijkdom vervullen al uwe nooddruft, in heerlijkheid door Christus Jezus.

Groet en zegenbede.

20 Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

21 Groet alle heiligen in Christus Jezus; U groeten de broeders, die met mij zijn.

22 Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis des Keizers zijn.

23 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.

18 Doch ik bezit alles en heb overvloedig; ik heb ten volle genoeg, nu ik door Epafrodïtus ontving hetgeen van u kwam, een liefelijken reuk, een aangenaam offer, Gode behaaglijk.

19 Mijn God nu zal uwe nooddruft vervullen naar zijnen rijkdom, in heerlijkheid, door Christus Jezus.

kondet gaan denken. Dat wil zeggen, gij dacht wel aan mij, maar het kwam u niet gelegen.

11 Ik zeg dit niet omdat ik gebrek lijd; want ik voor mij heb geleerd tevreden te zijn met mijn omstandigheden.

12 Ik weet in lagen staat te verkeeren en ik weet ook overvloed te hebben. In alles en allen ben ik ingewijd: in het verzadigd zijn en in het honger hebben, in.het genieten van overvloed en in het gebrek lijden.

13 Tot alles ben ik in staat door hem die mij kracht geeft.

14 Maar gij deedt wèl deelneming te betoonen in mijn druk.

15 Gij weet zelf, Filippenzen, dat in den aanvang van mijn prediking, toen ik van Macedonië vertrokken was, geen gemeente met mij door geven of ontvangen in betrekking heeft gestaan behalve

gij-

16 Want reeds in Thessalonica hebt gij een- en andermaal mij iets gezonden voor mijn gerief.

17 Niet dat het mij om de gaven te doen is, neen, het is mij te doen om de vrucht die rijkelijk op uw rekening komt.

18 Ik sreef voor alles kwijting en

heb overvloed. Ik heb volop, nu ik door Epafroditus heb gekregen wat gij zondt, een lieflijken geur, een aangenaam, Gode welgevallig offer.

19 Maar mijn God zal overvloedig in al uw behoeften voorzien, naar zijn rijkdom, door de heerlijkheid in Christus Jezus.

20 Onzen God en Vader nu zij de eer van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen.

Groet en zegenbede.

21 Groet al de heiligen in Christus Jezus. U groeten de broeders, die bij mij zijn.

22 U groeten al de heiligen, maar bijzonder die van des keizers huis.

23 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen! Amen.

20 Aan onzen God en Vader zij de eer tot in alle eeuwigheid. Amen.

21 Groet alle heiligen in Christus Jezus. U groeten de broeders die met mij zijn.

22 Alle heiligen groeten u, vooral zij die tot het keizerlijk hof behooren.

23 De genade van den Heer Jezus zij met uw geest.

DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS AAN DE KOLOSSENSEN.

BRIEF VAN PAULUS AAN DE KOLOSSERS.

DE BRIEF VAN PAULUS AAN DE KOLOSSENZEN.

Opschrift en groet. I 1 Paulus, een apostel van Jezus 1 Christus, door den wil van God, en Timótheüs, de broeder.

Schrijver en adres. 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Timótheüs, de broeder,

Begroeting en dankzegging. 1 Paulus, door Gods wil een apostel van Christus Jezus, en broeder Timótheüs