Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij nu eindelijk zoover op krachten zijt gekomen, dat gij aan mij denken kondt; gij hadt wel steeds daaraan gedacht, maar gij waart niet in de gelegenheid.

11 Niet, dat ik daarvan spreek, omdat ik gebrek lijd; want ik heb geleerd, in welke omstandigheden ik ook verkeer, daarmede tevreden te zijn.

12 Want ik versta het, in nederige verhoudingen te leven, ik versta het ook, overvloed te hebben. In elk opzicht en in alle dingen ben ik „ingewijd", zoowel in het verzadigd zijn als in het hongerlijden, zoowel in het hebben van overvloed als in het lijden van gebrek.

13 Ik vermag alle dingen door hem, die mij kracht geeft.

14 Nochtans hebt gij goed gedaan, door mij in mijn nood uwe deelneming te toonen!

15~Want ook gij, Filippensen, weet: in het begin van mijn evangelieprediking, toen ik van Macedonië uit mijn reis begon, heeft geen gemeente met mij in een rekening gestaan van ontvangst en uitgaaf, dan gij alleen.

16 Want ook in Thessalonlca hebt gij mij meer dan eens zendingen voor mijn behoeften doen toekomen.

17 Niet dat het mij om de gave te doen zou zijn, maar het is mij om de vrucht te doen, die als een hooge post op het tegoed van uwe rekening komt.

18 Uwe schuld aan mij is geheel betaald, ja, meer dan dat. Ik heb volop, nu ik van Epafroditus het door u gezondene ontvangen heb, een welriekende offergeur, een aangename, Gode welgevallige offerande.

19 Maar mijn God zal u alles wat gij noodig hebt, naar zijn rijkdom overvloedig schenken, in heerlijkheid in Christus Jezus.

gelegenheid hadt, om voor mij te zorgen. Wel zijt gij er bedacht op gebleven, maar gij hadt er geen gelegenheid toe.

11 Ik zeg dit niet, omdat ik gebrek heb geleden. Want ik heb geleerd, tevreden te zijn, met wat ik heb.

12 Ik weet armoede te lijden en in overvloed te leven; met alles ben ik in alle omstandigheden vertrouwd: met verzadigd zijn en honger lijden, met overvloed en met gebrek.

13 Tot alles ben ik in staat door Hem, die mij sterkt.

14 Toch hebt gij goed gedaan, met me bij te staan in mijn nood.

15 Gij weet zelf toch wel, Filippenzen, dat bij mijn vertrek uit Macedonië in het begin van mijn prediking, geen enkele kerk, dan gij alleen, met mij een rekening had van uitgave en ontvangst,

16 en dat gij tot tweemaal toe mij ook in Tessalonika iets voor eigen gebruik hebt gezonden.

17 Zeker, het is me niet om de gave te doen, maar het is me te doen om de rente, die rijkelijk op uw rekening wordt geboekt.

18 Maar nu heb ik het hele bedrag gekregen, en zelfs meer dan dat. Ik bezit volop, sinds ik door Epafroditus uw gift heb ontvangen: een welriekende geur, een aangenaam, Gode welgevallig offer.

19 Mijn God zal dan ook in Christus Jesus in al uw behoeften voorzien naar zijn rijkdom en door zijn heerlijkheid.

eindelijk uw belangstelling in mij hebt kunnen verlevendigen, omdat gij wel belangstelling hadt, maar niet de gelegenheid.

11 Niet dat ik dit zeg, omdat ik gebrek lijd; want ik heb geleerd met de omstandigheden, waarin ik verkeer, genoegen te nemen.

12 Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek.

13 Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft.

14 Toch hebt gij er goed aan gedaan, te delen in mijn verdrukking.

15 Gij weet het zelf ook wel, Philippenzen; in het begin van mijn evangelieprediking, toen ik van Macedonië uitging, heeft geen enkele gemeente met mij in rekening van uitgave en ontvangst gestaan dan gij alleen.

16 Want ook te Thessalonica hebt gij mij een en andermaal ondersteuning gezonden.

17 Niet, dat het mij om de gave te doen zou zijn, maar het is mij te doen om de opbrengst, die als een tegoed op uw rekening aangroeit.

18 Nu is alles voldaan en ben ik rijkelijk voorzien; alles is aangezuiverd, nu ik van Epaphroditus het door u gezondene ontvangen heb, een welriekend, een aangenaam, Gode welgevallig offer.

19 Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom voorzien in heerlijkheid, in Christus Jezus.

20 Onzen God en Vader zij lof in alle eeuwigheid. Amen.

Besluit.

Groeten; zegenbede. 21 Groet iederen geheiligde met christelijken groet.

22 U laten de broeders die bij mij zijn, groeten. U groeten al de geheiligden, inzonderheid zij die tot het huis des keizers behooren.

23 De genade van Jezus Christus, onzen Heer, zij met uwen geest.

20 Aan onzen God en Vader zij de glorie in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Paulus' groet en zegenwens.

21 Groet alle heiligen in Christus Jesus. U groeten de broeders, die bij me zijn.

22 Alle heiligen groeten u, vooral die tot het huis van Cesar behoren.

23 De genade van den Heer Jesus Christus zij met uw geest.

20 Onzen God en Vader nu zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen.

21 Groet iederen heilige in Christus Jezus. U groeten de broeders, die bij mij zijn.

22 U groeten al de heiligen, inzonderheid die aan het huis des keizers verbonden zijn.

23 De genade van den Here Jezus Christus zij met uw geest.

DE BRIEF AAN DE KOLOSSENSEN.

Inleiding.

Begroeting. .1 Paulus, door den wil Gods apostel van Christus Jezus, en Timótheüs, onze broeder, aan de geheiligden te Kolosse, aan de broeders in de gemeenschap van Christus, die trouw zijn in het geloof,

DE BRIEF AAN DE KOLOSSENZEN.

Groet, dankzegging, bede. 1 Paulus, apostel van Christus Jesus door Gods wil, en broeder Timóteüs:

DE BRIEF VAN PAULUS AAN DE COLOSSENZEN.

Schrijver. Lezers. Groet. 1 Paulus, door den wil van God i een apostel van Christus Jezus, ' en Timótheüs, de broeder,

Sluiten