is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4 Aan uw tranen gedachtig-, ben ik vol verlangen u te zien, opdat ik vervuld worde van vreugde,

5 wanneer mij uw ongeveinsd geloof weer te binnen wordt gebracht, dat eerst in uwe grootmoeder Loïs en uwe moeder Eunice woonde, en dat — daarvan ben ik zeker — nu ook woont in u.

Aansporing voor Timótheüs. 6 Om die reden herinner ik u: wakker de genadegave Gods aan, welke door de oplegging mijner handen in u is.

7 Want God heeft ons een geest gegeven niet van vreesachtigheid, maar van kracht, van liefde en van zelfbeheersching.

8 Schaam u dan niet, om te getuigen van onzen Heer, en schaam u ook niet voor mij, Zijn gevangene; maar wees bereid mede te lijden voor het evangelie naar de kracht van God,

9 die ons heeft behouden en met een heilige roeping heeft geroepen, niet overeenkomstig onze werken, maar overeenkomstig zijn voornemen en zijn genade, welke ons vóór eeuwige tijden geschonken is in Christus Jezus,

10 doch thans geopenbaard is door de verschijning van Christus Jezus, den bewerker van ons behoud, die den dood heeft teniet gedaan, en leven en onvergankelijkheid aan het licht heeft gebracht,

11 door het evangelie, waarvan ik ben aangesteld tot prediker, apostel en leeraar.

Het voorbeeld van den apostel en van Onesiforus.

12 Om die reden moet ik ook deze dingen lijden; maar ik schaam mij niet, want ik weet wien ik [mijn vermogen] heb toevertrouwd, en ik ben verzekerd dat hij in staat is, mijn hem toevertrouwd goed te bewaren tot den jongsten dag.

13 Neem dat wat gij van mij hebt gehoord, als een voorbeeld van zuivere prediking, en houd het vast in geloof en liefde, die in Christus Jezus zijn.

14 Bewaar het kostelijke, u toevertrouwde goed door den heiligen Geest, die in ons woont.

4 En zo vaak ik terugdenk aan uw tranen, komt in mij het verlangen op, u weer te zien, om zelf met blijdschap te worden vervuld.

5 Want ik draag de herinnering mee aan uw ongeveinsd geloof; vroeger heeft het in uw grootmoeder Loïs en in uw moeder Eunike gewoond; ik ben er dus zeker van, dat het ook in u verblijft.

Door de heilige Wijding tot ijver verplicht.

6 En daarom herinner ik u er aan, dat ge Gods genade moet doen opleven, die ge door mijn handoplegging verkregen hebt.

7 Want God schonk ons niet een geest van vreesachtigheid, maar van kracht, van liefde en zelfbeheersing.

God geeft door Jesus daartoe kracht.

8 Schaam u dus niet voor de belijdenis van onzen Heer, noch over mij, zijn geboeide; maar neem uw aandeel in het lijden voor het Evangelie door de kracht van God,

9 die ons gered heeft en tot een heilige roeping heeft uitverkoren, niet op grond van onze werken, maar door zijn eigen voorbeschikking en genade. Deze toch is ons

van alle eeuwigheid in Christus Jesus verleend,

10 maar thans geopenbaard door de verschijning van onzen Zaligmaker Christus Jesus. Hij heeft de dood ten onder gebracht, doch leven en onsterfelijkheid aan het licht gebracht, door het Evangelie,

11 waartoe ik ben aangesteld als heraut, apostel en leraar.

Sterkende voorbeelden van moed en ijver. 12 Daarom lijd ik dit alles wel, maar mij er over schamen doe ik niet. Want ik weet op wien ik mijn vertrouwen stel, en ik ben er zeker van. dat Hii machtig is

het mij toevertrouwde pand te bewaren tot die Dag.

13 In geloof en in liefde tot Christus Jesus: houd vast, aan wat ge van mij hebt gehoord, als aan een richtsnoer van gezonde lering;

14 bewaar dat kostelijk pand door den Heiligen Geest, die in ons woont.

4 immers, als ik denk aan uw tranen, verlang ik u te zien om met blijdschap vervuld te worden;

5 en dan komt mij voor den geest uw ongeveinsd geloof, zoals het eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lóïs en uw moeder Eunice, en ook — daarvan ben ik overtuigd — (woont) in u.

6 Om die reden herinner ik u er aan de gave Gods aan te wakkeren, die door mijn handoplegging in u is.

7 Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en van bezonnenheid.

8 Schaam u dus niet voor het getuigenis van onzen Here of voor mij, zijn gevangene, doch wees mede bereid voor het evangelie te lijden in de kracht van God,

9 die ons behouden heeft en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, doch naar zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus gegeven ia vóór eeuwige tijden,

10 doch die nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Heiland, Christus Jezus, die den dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie.

11 En ik ben daartoe aangesteld als verkondiger, apostel en leraar.

12 Om die reden draag ik ook dit lijden en ik schaam mij daarvoor niet, want ik weet, op wien ik mijn vertrouwen heb gevestigd, en ik ben er van overtuigd, dat Hij bij machte is, hetgeen Hij mij toevertrouwd heeft, te bewaren tot dien dag.

13 Neem tot voorbeeld de gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in het geloof en de liefde, die in Christus Jezus is.

14 Bewaar door den heiligen Geest, die in ons woont, het goede, dat u is toevertrouwd.

15 Dit weet gij, dat allen in Asië zich van mij hebben afgewend en daaronder Fygelus en Hermógenes.

16 Aan het gezin van Onesiforus verleene de Heer erbarming. want dikwijls heeft hij mij verkwikt, en voor mijn ketenen heeft hij zich niet geschaamd.

17 Integendeel, toen hij te Rome was gekomen, heeft hij mij ijverig gezocht en mij ook gevonden;

18 — de Heer verleene hem nu

35 Ge weet, dat al de Aziaten mij in de steek hebben gelaten, onder anderen Fygelus en Hermógenes.

16 De Heer bewijze barmhartigheid aan het huis van Onesifores, omdat deze me vaak heeft opgemonterd, en zich mijn ketenen niet heeft geschaamd;

17 want toen hij te Rome was aangekomen, heeft hij ijverig naar me gezocht, en me dan ook gevonden.

18 Geve de Heer, dat hij zelf

15 Dit weet gij, dat allen in Asia zich van mij hebben afgekeerd, onder anderen Phygelus en Hermógenes.

16 De Here bewijze barmhartigheid aan het huis van Onesiphorus, daar hij mij dikwijls heeft verkwikt en zich voor mijn boeien niet heeft geschaamd.

17 Want toen hij te Rome gekomen was, heeft hij mij ijverig gezocht en mij ook gevonden;

18 — de Here geve hem, dat hij