is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opwekking tot trouw aan Jezus, die als Zoon meer is dan Mozes.

1 Daarom, geheiligde broeders, gij die aan de hemelsche roeping deel hebt, vestigt uw aandacht op den gezant en hoogepriester, dien wij belijden, op Jezus,

2 [en ziet] hoe getrouw hij Zijnen Schepper is, gelijk ook Mozes was in Zijn geheele huis.

3 Want deze is meerdere eer waardig gekeurd dan Mozes, naarmate de eer van den bouwmeester ■die van het huis overtreft.

4 Want elk huis heeft een bouwmeester; de bouwmeester van het heelal is God.

5 En Mozes was wel in Zijn gansche huis trouw als een dienaar, om te getuigen van wat in de toekomst verkondigd zou worden,

6 maar Christus is trouw als Zoon over zijn huis; en zijn huis zijn wij, indien wij het vertrouwen en de roem onzer hoop (tot het einde onwrikbaar) vasthouden.

Waarschuwingen, om zich de beloofde rust niet onwaardig te betoonen.

7 Daarom, gelijk de heilige Geest zegt: Heden, indien gij zijne stem hoort,

8 verhardt uw hart niet, als in de verbittering, ten dage van de verzoeking in de woestijn,

9 waar uwe vaderen mij verzochten, door mij op de proef te stellen, hoewel zij toch mijne werken zagen, veertig jaren lang.

10 Daarom werd ik vertoornd op dat geslacht, en ik zeide: Steeds dwalen zij met hun hart, en mijne wegen hebben zij niet gekend;

11 zoodat ik in mijn toorn zwoer: nimmer zullen zij ingaan in mijne rust.

12 Ziet dan toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongeloovig hart worde aangetroffen, [zich openbarend] in afval van den levenden God.

13 Maar vermaant elkander, iederen dag, zoolang als het „heden" genaamd wordt, opdat niemand uwer verhard worde door de misleiding der zonde.

14 Want wij zijn deelgenooten van Christus geworden, wanneer wij het geloofsvertrouwen waarmede wij aanvingen, tot het einde onwrikbaar vasthouden.

15 Wanneer er gezegd wordt: Heden, indien gij zijne stem hoort, verhardt uw hart niet, als in de verbittering, —

16 [zoo vraag ik:] wie toch waren de hoorders, die God verbitterden? waren het juist niet al degenen die door Mozes uit Egypte waren uitgeleid?

17 Wie waren de lieden, op wie Hij veertig jaren vergramd was? waren zij het niet, die gezondigd hadden, en die ontzield neervielen in de woestijn?

Jesus, als God-Mens, boven Moses verheven. 1 Heilige broeders, deelgenoten ener hemelse roeping, beschouwt dus den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis: Jesus,

2 die getrouw is aan Hem, die Hem gemaakt heeft, zoals ook

,.Moses in geheel zijn huis."

3 Tegenover Moses is Hij immers in die mate groter eer waardig, als de bouwheer meer eer geniet dan het huis.

4 Elk huis toch wordt door iemand gebouwd; maar de Bouwheer van alles is God. —

5 Moses nu was wel „getrouw in geheel zijn huis" als dienstknecht, om getuigenis af te leggen van wat verkondigd zou worden:

6 maar Christus is het als Zoon boven zijn huis; zijn huis zijn wij, indien wij de zekerheid der hoop en het roemen daarop ongeschokt bewaren ten einde toe.

Ontrouw aan Jesus wordt dus streng bestraft.

7 Daarom zegt de Heilige Geest: „Als gij dan heden mijn stem verneemt,

8 Verstokt dan uw harten niet als bij de Verbittering, Als op de dag der Verzoeking in de woestijn,

9 Toen uw vaders Mij tartten en beproefden,

10 Ofschoon ze mijn werken hadden aanschouwd veertig jaar lang. Daarom werd Ik toornig op dat geslacht, En Ik sprak: Steeds dwaalt hun hart van Mij af, En mijn wegen kennen ze niet.

11 Daarom zwoer Ik in mijn toorn: Neen, ze zullen niet ingaan in mijn Rust!"

Ps. 95 (94) : 7—11.

12 Broeders, zorgt er voor, dat in niemand van u een boos en ongelovig hart wordt gevonden door de afval van den levend-en God;

13 maar vermaant elkander iedere dag, zolang het „Heden" nog voortduurt, opdat niemand van u wordt verstokt door de verleiding der zonde.

14 Want we delen slechts met Christus mee, zo we de aanvankelijke overtuiging ongeschokt bewaren ten einde toe. —

15 Wanneer er dus wordt gezegd: „Als gij dan heden mijn stem verneemt, verstokt uw harten niet als bij de Verbittering":

16 wie waren het dan, die vernamen en verbitterden? Waren het niet allen, die, dank zij Moses, Egypte waren uitgetrokken?

17 Of tegen wie toornde Hij veertig jaar lang? Was het niet tegen hen. die gezondigd hadden, wier lijken neerlagen in de woestijn?

Jezus boven Mozes verheven. 1 Daarom, heilige broeders, deel- t genoten der hemelse roeping, richt uw oog op den apostel en hogepriester onzer belijdenis,

2 Jezus, die getrouw is jegens Hem, die Hem heeft aangesteld, evenals ook Mozes getrouw was in [geheel] zijn huis.

3 Want Hij is zoveel groter heerlijkheid dan Mozes waardig gekeurd, als de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis.

4 Want elk huis wordt door iemand gebouwd, maar de bouwmeester van alles is God.

5 Nu was Mozes wel getrouw in geheel zijn huis als dienaar om te getuigen van hetgeen gesproken zou worden,

6 maar Christus als Zoon over zijn huis. Zijn huis zijn wij, indien wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, [tot het einde onverwrikt] vasthouden.

Gevaar van afval.

7 Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij zijn stem hoort,

8 verhardt uw harten niet, zoals bij de verbittering, ten dage van de verzoeking in de woestijn,

9 waar uw vaders Mij verzochten door Mij op de proef te stellen, hoewel zij mijn werken zagen, veertig jaren lang;

10 daarom heb Ik een afkeer gekregen van dit geslacht en Ik heb gezegd: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben mijn wegen niet gekend,

11 zodat Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan!

Ps. 95 : 7—11. Num. 14 : 23.

12 Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van den levenden God,

13 maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde;

14 want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden.

15 Als er gezegd wordt: Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering,

Ps. 95 : 7—8.

16 wie waren het dan, die hoewel zij (de stem) gehoord hadden, (God) verbitterden? Waren dat niet allen, die onder Mozes uit Egypte waren uitgegaan?

17 En van wie heeft Hij een afkeer gehad, veertig jaren lang? Was het niet van hen, die gezondigd hadden en wier lijken in de woestijn lagen?