is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iemand van wien wordt getuigd, dat hij leeft.

9 Ja, om zoo te zeggen, zijn door Abraham's tusschenkomst tienden geheven ook van Levi, die tienden mag nemen:

10 deze was namelijk nog in de lendenen zijns vaders, toen Melchisédek dien ontmoette.

vingen, in het andere geval een, van wien getuigd wordt, dat hij leeft.

9 Bovendien heeft Levi, die zelf tiende hief, als het ware in Abraham tiende betaald;

10 want hij was nog in de lende van zijn vader, toen Melkisedek dien tegemoet ging.

iemand, van wien wordt getuigd, dat hij leeft.

9 Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht (van een ander) onderworpen,

10 want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchizédek dezen tegemoet kwam.

: 11 Indien nu door het Levietische i priesterschap de volmaaktheid 1 was bereikt — want met het oog ] op dat priesterschap had het volk i wetten ontvangen —, waarom was \ het dan nog noodig, dat een andere hoogepriester werd aange• steld „naar de ordening van Mel, chisédek," en er van iemand ge■ sproken wordt die het niet is naar : de ordening van Aaron? i 12 Immers, wanneer het priesteri schap gewijzigd wordt, vindt er ook noodzakelijk een wetswijzi: ging plaats.

1 13 Want hij op wien dit doelt, be: hoort tot een anderen stam, waaruit niemand zich aan den altaar: dienst gewijd heeft.

I 14 Het is immers alom bekend, ! dat onze Heer voortgekomen is : uit Juda, en ten aanzien van : dezen stam heeft Mozes niets om; trent priesters gezegd. I 15 En nog veel duidelijker wordt i het, indien naar het evenbeeld van I Melchisédek een andere priester

i worat aangesteld,

1 16 die opgetreden is niet volgens s een bepaling van een uiterlijk voorschrift, maar uit kracht van

net onvernietigbare leven.

17 Want van hem wordt betuigd: I Gij zijt priester tot in eeuwigheid,

naar de ordening van Melchisédek.

18 Opheffing nu van een vroeger gegeven voorschrift vindt plaats bij gemis aan kracht of nut

19 — want de wet heeft in geen i enkel opzicht volmaking gebracht

—, maar tegelijk is ingevoerd een ■ betere hoop, waardoor wij God kunnen naderen.

20 En gelijk dit niet zonder eed tot stand kwam, (de vroegere priesters toch zijn het geworden zonder eed,

21 maar hij is het geworden mèt een eed, gezworen door Hem die tot hem sprak: De Heer heeft ge-

1 zworen — en het zal hem niet be] rouwen —: gij zijt priester tot in i eeuwigheid,)

: 22 naar die mate is Jezus ook van een hoogere beschikking borg geworden.

23 En zij zijn in getale priesters geworden, omdat zij door den dood worden verhinderd, het blijvend te zijn;

24 maar omdat hij het voor eeuwig blijft, bezit hij het pries-

: terambt onvergankelijk.

25 En daarom kan hij ook hen volkomen behouden, die door hem

11 Zo dus de volmaaktheid bereikt was door het levietische priesterschap ■— want daarop berustte de wetgeving voor het volk — waarom zou het dan nog nodig geweest zijn, dat er een andere Priester werd aangesteld „naar de Orde van Melkisedek," en dat Hij niet naar de orde van Aaron werd genoemd ?

12 Met de verandering toch van het priesterschap verandert ook noodzakelijk de wet.

13 Welnu, Hij, op wien dit alles slaat, behoorde tot een andere stam, waaruit niemand zich aan het altaar heeft gewijd;

34 want het is bekend, dat onze Heer uit Juda gesproten is; en met betrekking tot deze stam heef Moses niets van priesters gesproken.

15 En dit is nog veel duidelijker, nu als evenbeeld van Melkisedek

een ander Priester is aangesteld,

16 één, die het niet geworden is volgens de wet ener vleselijke instelling, maar uit kracht van een onvergankelijk leven;

17 want er is hetinVrl • fiii ?iif-

' y

i irara vuur eeuwig naar ue urde van Melkisedek."

18 En zó werd de vroegere instelling opgeheven om haar zwakte en nutteloosheid —

19 want de Wet heeft niets tot volmaking gebracht — en werd ze vervangen door een betere hoop, waardoor wii naderen tot God. —

20 Bovendien is dit ook niet zonder eed geschied. Want de anderen zijn priesters geworden zonder eed,

21 maar Hij werd het door een eed van Hem, die tot Hem sprak:

... TT, 1 -

>' — ^ iicci neen gezwuren, jün net zal Hem nimmer berouwen: Gij zijt Priester voor eeuwig!"

22 En ook in zover is Jesus de borg geworden van een veel beter Verbond. —

23 Daarenboven, die anderen zijn priesters geworden in groten getale, omdat ze door hun dood verhinderd werden aan te blijven.

24 Maar Hij bezit een onvervreemdbaar Priesterschap, omdat Hij blijft voor eeuwig.

25 Daarom kan Hij ook te allen tijde hen redden, die tot God ko-

Christus hoger priester dan Aaron.

11 Indien nu het Levietische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het volk de wet ontvangen —- waarom was het dan nog nodig, dat een ander priester naar de ordening van Melchizédek opstond, van wien niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aaron is ?

12 Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van wet.

13 Want Hij, van wien aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een anderen stam, waaruit niemand met het altaar te doen had:

14 het is immers duidelijk, dat onze Here uit Juda is gesproten, ten aanzien van welken stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft.

15 En nog veel duidelijker wordt het, als_ naar het evenbeeld van Melchizédek een andere priester opstaat,

16 die dit niet geworden is krachtensj een wet met een voorschrift betreffende vleselijke (afkomst), maar krachtens een onvernietigbaar leven.

17 Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek.

Ps. 110 : 4.

18 Want een vroeger voorschrift wordt wel afgeschaft, als het zonder kracht en nut is,

19 — immers de wet heeft het volmaakte niet gebracht — maar thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor wij nader tot God komen.

20 En in zoverre het niet zonder een plechtigen eed plaats had —• want genen zijn zonder eed priester geworden,

21 maar déze met een eed bij monde van Hem, die tot Hem sprak: De Here heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in eeuwigheid —

Ps. 110 : 4.

22 in zoverre is Jezus ook van een beter verbond borg geworden.

23 En zij zijn in groter getale priester geworden, omdat zii door

den dood verhinderd werden het te blijven,

24 doch Hij heeft, juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, een priesterschap, dat op geen ander kan overgaan.

25 Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God