Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35 De vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding wedergekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangebodene verlossing niet aannemende, opdat zij eene betere opstanding verkrijgen zouden.

1 Kon. 17 : 23. 2 Kon. 4 : 36. Hand. 22 : 25

36 En anderen hebben bespottingen en geeselen geproefd, en ook banden en gevangenis;

Jer. 20 : 2.

37 Zijn gesteenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht, hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde;

1 Kon. 21 : 13. 2 Kon. 1 : 8. Matt. 3 : 4.

38 (Welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in de holen der aarde.

39 En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen;

40 Alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.

35 Vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding wedergekregen: en anderen zijn gefolterd geworden, en hebben geen verlossing aangenomen, opdat zij de opstanding, die beter is, verkrijgen zouden.

36 Sommigen hebben bespotting en geeselingen geleden, alsook banden en gevangenis.

37 Zij zijn gesteenigd, door midden gezaagd, gefolterd, door het zwaard gedood; zij zijn omgegaan in schapevellen en in geitevellen, gebrek lijdend, verdrukt, kwalijk behandeld,

38 — welker de wereld niet waardig was —, omdolende in woestijnen, op bergen, in spelonken en holen der aarde.

39 Dezen allen, hoewel zij door het geloof getuigenis bekwamen, hebben de belofte niet verkregen,

40 daar God iets beters voor ons te voren voorzien heeft, opdat zij niet zonder ons zouden volkomen worden.

35 Vrouwen kregen uit de opstanding haar dooden terug; er waren mannen, die zich lieten martelen zonder de bevrijding aan te nemen, ten einde een betere opstanding te erlangen.

36 Weer anderen leden bespotting en geeseling, ook boeien en gevangenis;

37 zij lieten zich steenigen, op de pijnbank leggen, doorzagen, vonden den dood onder het moordend zwaard, trokken rond in schaapsvachten en geitevellen, onder ontberingen, verdrukkingen, mishandelingen

38 — de wereld was niet waard hen te bezitten — zwervend door woestijnen, over bergen, in spelonken en aardspleten.

39 Die allen, hoewel zij om hun geloof een zoo eervol getuigenis hebben gekregen, hebben de vervulling der belofte niet erlangd;

40 daar God voor ons iets beters had bestemd. Zij mochten niet zonder ons tot volmaking komen.

Vermaning tot volharding naar het voorbeeld van Christus.

|2 1 Daarom dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld

is; Rom. 16 : 4. Efez. 4 : 22. Kol. 3 : 8.

1 Petr. 2 : 1, 2. Rom. 12 : 12.

Hebr. 10 : 36. 1 Kor. 9 : 24. 2 Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.

Luk. 24 : 26. Filipp. 2 : 8, 9, enz.

1 Petr. 1 : 11. Hebr. 1 : 3. 8 : 1.

Vermaning tot volharding. 1 Daarom ook wij, dewijl wij zulk eene wolk van getuigen rondom ons hebben, zoo laat ons afleggen de zonde, die ons zoo licht omstrikt en traag maakt, en laat ons met standvastigheid loopen in de loopbaan, die ons voorgesteld is,

2 op Jezus ziende, den aanvanger en voleinder des geloofs, die voor de vreugde, welke hem was voorgesteld, het kruis verdragen en de schande niet geacht heeft, en is gezeten ter rechterhand van den troon Gods.

3 Denkt toch aan hem, die zulk een tegenspreken van de zondaren tegen zich verdragen heeft, opdat gij niet moede wordt noch uwe zielen bezwijken.

Het geloof de kracht tot standvastigheid onder vervolging en druk. 1 Welaan dan, ook wij willen, omringd van een zoo groote wolk van getuigen, elke belemmering en de zonde, die ons als een kleed verstrikt, afleggend, met volharding den wedloop die ons is voorgesteld loopen;

2 het oog gevestigd op den leidsman en voleinder des geloofs, Jezus, die in plaats van de vreugde die tot zijn beschikking was geduldig een kruis heeft gedragen, met geringachting der schande, en ter rechterhand van Gods troon plaats genomen heeft.

3 Denkt toch aan hem die het verdragen heeft dat de zondaren hem zoo weerstonden; dan zult gij niet, van zielskracht beroofd, moede worden.

3 Want aanmerkt Dezen, Die zoodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uwe zielen.

4 Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde; ï Kor. 10 : 13.

5 En gij hebt vergeten de vermaning die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon! acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt;

Job 5 : 17. Spr. 3 :11. Openb. 3 :19.

6 Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geeselt eenen iegelijken zoon, dien Hij aanneemt.

7 Indien gij de kastijding verdraagt, zoo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?)

8 Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen.

4 Want gij hebt nog niet tot op het bloed toe wederstaan met strijden tegen de zonde,

5 en hebt alreeds vergeten de vermaning, die tot u spreekt als tot kinderen: „Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en versaag niet, als gij door Hem bestraft wordt;

Job 5 : 17. Spr. 3 : 11, 12.

6 want wien de Heer liefheeft, dien kastijdt Hij, en Hij geeselt eiken zoon, dien Hij aanneemt".

7 Indien gij de kastijding verdraagt, zoo gedraagt zich God jegens u als jegens kinderen; want waar is een zoon, dien de vader niet kastijdt?

8 Maar zijt gij zonder kastijding, welke allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij bastaarden en geen kinderen.

4 Nog hebt gij in uw strijd tegen de zonde niet ten bloede toe weerstand geboden,

5 en gij hebt de vermaning vergeten, die u als zonen toespreekt: mijn zoon, acht de kastijding des Heeren niet gering, en bezwijk niet als gij door Hem bestraft wordt.

6 Want de Heer kastijdt hem dien Hij liefheeft en tuchtigt eiken zoon dien Hij aanneemt. —

7 Verdraagt het; het dient tot kastijding; God behandelt u als zonen. Er is immers geen zoon die niet door zijn vader gekastijd wordt ?

8 Indien gij buiten de kastijding blijft waaraan allen deel hebben gekregen, dan zijt gij bastaarden, geen echte zonen.

Sluiten