is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23 Gij moet weten, dat Timótheüs, onze broeder, afgereisd is. Zoodra hij komt, zal ik met hem u bezoeken.

24 Groet al uwe voorgangers en al de geheiligden. U groeten de broeders uit Italië.

25 De genade zij met u allen.

DE BRIEF VAN JAKOBUS.

Begroeting.

1 Jakobus, een dienstknecht van God en Jezus Christus, den Heer, zendt zijn groet aan de twaalf stammen in verstrooiing.

De beproeving een zegen voor het Christelijk leven.

2 Begroet het als louter vreugde, broeders, wanneer gij valt in velerlei verzoeking.

3 Want gij weet: uw geloof sbeproeving werkt standvastigheid.

4 En de standvastigheid, zij drage rijpe vrucht, zoodat gij rijp moogt zijn en uit één stuk, zonder dat in eenig opzicht iets aan u ontbreekt.

5 Doch ontbreekt aan iemand uwer wijsheid, hij vrage haar aan God die aan een ieder geeft, eenvoudig weg en zonder dat Hij iets verwijt; dan zal zij hem gegeven worden.

6 Hij vrage in geloof en twijfele niet in eenig ding; want hij die twijfelt, is gelijk een baar der zee, onrustig heen en weer bewogen door den wind.

7 Zulk een mensch toch moet niet meenen, dat hij iets van den Heer ontvangen zal,

8 — een man met tweespalt in zijn ziel, op al zijn wegen ongestadig.

9 De broeder die in nederigen staat verkeert, drage roem op zijn verheffing,

10 en wie rijk is, drage roem op zijn vernedering, want als een bloem des velds zal hij vergaan.

11 De zon rijst immers op met feilen gloed, en doet het gras verdorren; en zijn bloem valt uit, en de schoonheid van haar uiterlijk verdwijnt; zoo is het met den rijke ook: midden in zijn ondernemingen zal hij verwelken.

12 Welgelukzalig de man die de verzoeking doorstaat, want daar hij zich betrouwbaar heeft betoond, zal hij des levens krans ontvangen, welken [God] aan allen heeft beloofd die Hem beminnen.

13 Wie verzocht wordt, moet niet zeggen: mijn verzoeking komt van God! Want God kan met het kwade niet verzocht, en zelf verzoekt hij niemand.

14 Maar ieder wordt verzocht door eigen lust, wanneer hij, door haar meegesleept, verlokt wordt.

15 Als dan Lust ontvangen heeft, baart zij vervolgens zonde, en is

23 Gij weet, dat onze broeder Timóteüs de vrijheid heeft verkregen. Zo hij spoedig komt, zal ik u bezoeken in zijn gezelschap.

24 Groet al uw leidslieden en alle heiligen. De Italianen groeten u.

25 De genade zij met u allen!

DE BRIEF VAN DEN H. JAKOBUS.

Ons gedrag bij bekoringen. 1 Jakobus, dienaar van God en van den Heer Jesus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing: heil!

2 Mijn broeders, acht het een zeer grote vreugde, wanneer gij in allerhande bekoringen valt.

3 Want gij weet, dat de beproeving van uw geloof de oorzaak is van geduld;

4 welnu, het geduld behoeft slechts volkomen te worden, dan zijt gij volmaakt en ongerept, en schiet gij in niets te kort.

5 Komt iemand van u dan wijsheid te kort, hij vrage ze aan God, die ze aan allen verleent, eenvoudigweg en zonder verwijt; dan zal ze hem geschonken worden.

6 Maar hij moet vragen met geloof en zonder te weifelen; want wie weifelt, gelijkt op een golf van de zee, die door de wind wordt bewogen, en heen en weer wordt geslingerd.

7 Zo iemand toch verbeelde zich niet, dat hij iets van den Heer zal ontvangen;

8 dubbelhartig man als hij is, ongestadig in heel zijn gedrag.

9 Laat de broeder van nederige staat zich op zijn verheffing beroemen.

10 Maar de rijke op zijn geringheid; want hij zal verdwijnen als een bloem in het gras.

11 Want de zon gaat op met haar gloed en doet het gras verdorren; dan valt ook zijn bloem, en haar schoonheid vliedt heen. Zo zal ook de rijke verkwijnen op zijn levenspad.

12 Zalig de man, die staande blijft bij de bekoring; want wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die God beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben.

De oorzaak onzer bekoringen.

13 Niemand mag zeggen, als hij bekoord wordt: ik word door God bekoord. Want evenmin als God zelf door het kwaad wordt bekoord, brengt Hij, wien ook, in bekoring.

14 Neen, iedere mens wordt door zijn eigen begeerlijkheid bekoord, verleid en verlokt;

15 wanneer dan de begeerlijkheid is bevrucht, baart ze de zonde, en

23 Weet, dat onze broeder Timótheüs in vrijheid gesteld is; als hij spoedig komt, zal ik met hem u bezoeken.

24 Groet al uw voorgangers en al de heiligen. De broeders uit Italië laten u groeten.

25 De genade zij met u allen.

DE BRIEF VAN JACOBUS.

Schrijver. Lezers. Groet.

1 Jacobus, een dienstknecht van i God en den Here Jezus Christus, groet de twaalf stammen in de verstrooiing.

Verzoekingen.

2 Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt,

3 want gij weet, dat de echtheid van uw geloof standvastigheid uitwerkt.

4 Maar die standvastigheid moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet.

5 Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daar om, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden.

6 Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door den wind aangedreven en opgejaagd wordt.

7 Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van den Here zal ontvangen,

8 innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen.

9 Laat de geringe broeder roemen in zijn hoogheid,

10 maar de rijke in zijn geringheid, want als een bloem in het gras zal hij vergaan.

11 Want de zon is opgekomen met haar hitte en heeft het gras doen verdorren, en zijn bloem is afgevallen en de schoonheid van haar uiterlijk is verdwenen; zó zal ook de rijke met zijn ondernemingën verwelken.

Het doel der verzoekingen.

12 Zalig is de man, die in verzoeking standhoudt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.

13 Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hij brengt ook niemand in verzoeking.

14 Maar zovaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte.

15 Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als