is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19 Gij gelooft, dat God een eenig God is; gij doet wel; de duivelen gelooven het ook, en zij sidderen.

Mark. 1 : 24.

20 Maar wilt gij weten, o ijdel mensch! dat het geloof zonder de werken dood is?

21 Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijnen zoon, geofferd heeft op het altaar?

Gen. 22 : 10.

22 Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijne werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?

23 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.

Gen. 15 : 6. Rom. 4 : 3. Gal. 3 : 6.

24 Ziet gij dan nu, dat een mensch uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof ?

25 En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door eenen anderen weg uitgelaten? JOZ. 2 : 1. 6 : 23. Hebr. 11 : 31.

26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood.

Misbruik der tong.

3 1 Zijt niet vele meesters, mijne broeders! wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.

Matt. 23 : 8. Matt. 7 : 1. Luk. 6 : 37.

2 Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het geheele lichaam in den toom te houden.

Ps. 34 : 14. Jakob. 1 : 26.

19 Gij gelooft, dat er een éénig God is; gij doet wèl daaraan: de duivelen gelooven het ook, en zij sidderen.

20 Maar wilt gij weten, o ijdel mensch, dat het geloof zonder de werken dood is?

21 Is Abraham, onze vader, niet door de werken gerechtvaardigd geworden, toen hij zijnen zoon Isaak op het altaar offerde?

Gen. 22 : 10.

22 Daar ziet gij, dat het geloof medegewerkt heeft met zijne werken, en door de werken is het geloof volkomen geworden.

23 En de Schrift is vervuld, die zegt: „Abraham heeft God geloofd, en het is hem tot gerechtigheid gerekend", en hij is „een vriend Gods" genaamd geweest.

Gen. 15 : 6. Rom. 4 : 3. Gal. 3 : 6.

24 Zoo ziet gij nu, dat de mensch door de werken gerechtvaardigd wordt, niet door het geloof alleen.

25 Is desgelijks ook de hoer Rachab niet door de werken gerechtvaardigd geworden, toen zij de boden ontving en hen door een anderen weg uitliet?

Joz. 2 : 16, 21. Hebr. 11 : 31.

26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood.

De tong.

1 Mijne broeders, niet ieder onderwinde zich een leeraar te zijn, daar gij weet, dat wij des te zwaarder oordeel ontvangen zullen.

2 Want wij struikelen allen menigvuldiglijk. Maar wie in woorden niet struikelt, is een volkomen man, en kan ook het geheele lichaam in toom houden.

Jac. l : 26.

19 Gelooft gij dat God de Eenige is? Gij doet wel. Ook de duivelen gelooven het en sidderen.

20 En wilt gij weten, dwaze mensch, dat het geloof zonder de werken waardeloos is?

21 Abraham, onze voorvader, is immers uit zijn werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Izaak op het altaar wilde offeren?

22 Gij ziet dus dat het geloof met zijn handelen samenwerkte, en zijn geloof door zijn werken het doel bereikte.

23 Zoo werd het Schriftwoord vervuld dat zegt: Abraham geloofde in God, en dit is hem tot gerechtigheid aangerekend, en hij werd een vriend Gods genoemd.

24 Gij ziet dat een mensch gerechtvaardigd wordt uit werken en niet alleen uit geloof.

25 Is desgelijks de hoer Rachab niet uit haar werken gerechtvaardigd, toen zij de boden in haar huis opnam en langs een anderen weg liet heengaan?

26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zoo is ook het geloof zonder werken dood.

De gevaarlijke tong. De ware wijsheid komt van boven.

1 Laten er onder u niet veel leermeesters zijn, broeders, wetend dat over ons te gestrenger zal geoordeeld worden.

2 Want allen struikelen wij in menige zaak. Struikelt iemand in zijn woorden niet, dan is hij een volmaakt man, in staat ook het geheele lichaam in toom te houden.

3 Ziet, wij leggen den paarden toornen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun geheele lichaam om;

4 Ziet ook de schepen, hoewel zij zoo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil.

5 Alzoo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans groote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe grooten hoop houts het aansteekt.

Spr. 12 : 18. 15 : 2.

6 De tong is ook een vuur, eene wereld der ongerechtigheid; alzoo is de tong onder onze leden gesteld, welke het geheele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.

7 Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menschelijke natuur.

8 Maar de tong kan geen mensch temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van doodelijk venijn.

9 Door haar loven wij God en den

3 Zie, de paarden houden wij aan toornen, opdat zij ons gehoorzaam zijn, en wenden hun geheele lichaam om.

4 Zie, ook de schepen, hoewel zij zoo groot zijn en door sterke winden gedreven worden, worden zij nochtans met een klein roer omgewend, waarheen degene wil, die het stuurt.

5 Zoo is ook de tong een klein lid, en richt groote dingen aan. Zie, een klein vuur, welk een groot bosch steekt het aan!

6 De tong is ook een vuur, een wereld vol ongerechtigheid; de tong is het onder onze leden, die het geheele lichaam bevlekt, geheel onze levensloop ontsteekt, als zij door de hel ontstoken is.

7 Want alle natuur der dieren en der kruipende en der zeedieren wordt getemd en is getemd door de menschelijke natuur;

8 maar de tong kan geen mensch temmen, dat onrustige kwaad vol doodelijk venijn.

9 Door haar loven wij God den

3 Wanneer wij aan de paarden toornen in den bek doen om te maken dat ze ons gehoorzamen, besturen wij ook hun geheele lichaam.

4 Ziet ook naar de schepen. Al zijn ze nog zoo groot en al worden ze door hevige winden voortgedreven, met een zeer klein roer worden ze gewend werwaarts het believen van den stuurman wil.

5 Desgelijks is de tong een klein lid en heeft toch veel te zeggen. Ziet eens, hoe een klein vuur een grooten hoop hout in brand steekt.

6 Ook de tong is een vuur, de wereld der ongerechtigheid. De tong treedt onder onze leden als een macht op, zij, die het geheele lichaam bevlekt en den kring der schepping in brand zet, zelf door de hel ontvlamd.

7 Immers, alle dieren, welke hun natuur ook zij, zoogdieren, vogels, kruipende dieren en zeedieren, alle worden getemd en zijn getemd door de menschelijke natuur;

8 maar geen mensch kan de tong temmen: een rusteloos kwaad, vol doodelijk vergif.

9 Met haar loven wij den Heer en