is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 Legt dan af alle kwaadwilligheid en alle valschheid en alle soort van veinzerij, afgunst en achterklap.

2 Toont als pasgeboren kinderen verlangen naar de zuivere melk van het Woord, opdat gij daardoor moogt opwassen en aldus behouden worden, —

3 indien gij [inderdaad] iets gesmaakt hebt van de goedheid des Heeren.

4 En komt dan tot hem, dien levenden steen, die door de menschen wel verworpen is, maar bij God uitverkoren en kostbaar;

5 en laat u eveneens als levende steenen bouwen tot een geestelijk huis, voor een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, welke Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.

6 Want aldus staat in de Schrift: Zie, ik leg in Zion een steen, een uitverkoren, kostbaren hoeksteen; en wie daarop zijn vertrouwen stelt, zal niet beschaamd worden.

7 Daarom is hij voor u die gelooft, kostbaar; maar voor allen die niet gelooven, geldt: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, die is tot een hoeksteen geworden, en een steen des aanstoots en een rots der ergernis.

8 Zij stooten zich daaraan, omdat zij gehoorzaamheid weigeren aan het Woord; en daartoe ziin zii ook bestemd.

9 Maar gij zijt „het uitverkoren geslacht, het koninklijk priesterschap, de heilige stam, het verkregen volk", opdat gij de wonderkrachten moogt verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht,

10 u die eens „Niet-volk" waart, maar nu Gods volk zijt, die eens als „Zonder-erbarming" leefdet, maar nu erbarming gevonden hebt.

De gemeente in verhouding tot de heidenwereld. Opwekking tot een gedrag dat op de heidenen indruk maakt. 11 Geliefden, ik wek u op, als bijwoners en vreemdelingen, u te onthouden van de zinnelijke lusten, die tegen de ziel strgd voeren.

12 Leidt onder de heidenen een goede levenswijze, opdat zij, wanneer zij u als boosdoeners belasteren, uit uw goede werken het kunnen waarnemen en God verheerlijken, ten dage als Hij hen bezoekt.

Opwekking tot erkenning van iedere menschelijke ordening

in staat, maatschappij, gezin.

13 Weest onderdanig aan alle menscheliike ordening- om dps

Heeren wil, hetzij aan den keizer als opperheer,

Onze geestelijke wasdom. 1 Legt dan af alle boosheid, valsheid, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij.

2 Weest, als pasgeboren kinderkens, begerig naar onvervalste geestelijke melk, om daardoor op te groeien tot zaligheid,

3 zo „gij reeds gesmaakt hebt, dat de Heer goedertieren is."

Ps. 35 (34) : 9.

4 Nadert tot Hem, de levende steen, — door de mensen verworpen, maar uitverkoren en kostbaar bij God, —

5 en laat u als levende stenen opbouwen tot een geestelijke tempel, bestemd voor een heilig priesterschap, dat geestelijke offers brengt, welgevallig aan God door Jesus Christus.

6 Daarom staat er in de Schrift: „Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren steen, een kostbare hoeksteen; En wie in Hem gelooft, wordt niet beschaamd."

Is. 28 :16.

7 Voor u dus de eer, omdat gij gelooft. Maar voor wie niet geloven, blijft het gelden: „De steen, die de bouwlieden hadden verworpen, Is hoeksteen geworden;

8 Maar ook een steen des aanstoots, En een rotsblok, waarover men struikelt." Omdat ze het woord niet geloven, stoten ze zich; en hiertoe zijn ze voorbestemd. Ps. 118 (117) : 22. Is. 8 : 14.

9 Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een aangeworven volk: om te verkondigen de deugden van Hem, die u riep uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht.

10 Gij, vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd.

Christelijk voorbeeld voor de heidenen.

11 Geliefden, ik vermaan u, als pelgrims en vreemdelingen, u verre ts houden van de vleselijke lusten, die strijd voeren tegen de ziel.

12 Leidt onder de heidenen een voorbeeldig leven, opdat zij uw wandel, waarover ze thans u als boosdoeners lasteren, uit uw goede werken zullen leren kennen op de dag der bezoeking, en dan glorie zullen brengen aan God.

Onderwerping aan het wettig gezag. 13 Weest onderdanig aan ieder menseliik e'ezas' om 's Heren wil •

aan den koning als opperheer;

Jezus Christus de hoeksteen. 1 Legt dan af alle kwaadwillig- 2 heid, alle bedrog, geveinsdheid, afgunst en alle kwaadsprekerij,

2 en verlangt als pasgeboren kinderen naar de onvervalste melk des woords, opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid,

3 indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is.

Ps. 34 : 9.

4 En komt tot Hem, den levenden steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar,

5 en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor den bouw van een geestelijk huis, om een heilige priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.

6 Daarom staat er in een echriftplaats: Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbaren hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.

Jes. 28 : 16.

7 U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis,

Ps. 118 : 22.

8 voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn.

9 Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht:

Ex. 19 : 6.

10 u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.

Hos. 1 : 10.

Vermaningen. 11 Geliefden, ik vermaan u als biiwoners en vreemdelingen, dat

gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel;

12 en dat gij een goeden wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u. als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking.

13 Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan den keizer, als opperheer,