Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vleesch, maar levend gemaakt door den Geest;

Rom. 5 : 6. Hebr. 9 : 15, 28.

19 In Denwelken Hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, 1 Petr. 4 : 6.

20 Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.

Gen. 6 : 5. Gen. 6 : 3, 14. Matt. 24 : 37. Luk. 17 : 26. Rom. 2 : 4. Gen. 8 : 18.

2 Petr. 2 : 5.

21 Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die eene aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die eene vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus; Efez. 5 : 26.

22 Welke is aan de rechterhand Gods, opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde.

Efez. 1 : 20.

gedood naar het vleesch, maar levend gemaakt naar den Geest;

Rom. 5 : 6. 6 : 10. 1 Petr. 2 : 21.

19 in welken hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis,

20 die eertijds ongehoorzaam waren, toen God in den tijd van Noach wachtte en lankmoedigheid had, toen men de ark toebereidde, in welke weinige — dat is acht — zielen behouden werden door het water,

Gen. 7 : 1, 13.

21 dat ook ons nu behoudt in zijn tegenbeeld, den doop; niet als het wegdoen der onreinheid van het vleesch, maar als het verbond van een goed geweten met God, door de opstanding van Jezus Christus,

22 die ter rechterhand Gods is, opgevaren in den hemel, terwijl de Engelen en de machten en de krachten hem onderdanig zijn.

Efez. 1 : 20. Fil. 2 : 10.

levend gemaakt naar den geest,

19 waarin hij zelfs is gaan prediken aan de geesten in de gevangenis,

20 die weleer ongehoorzaam waren geweest toen, in de dagen van Noach, Gods lankmoedigheid wachtte totdat de ark zou gemaakt zijn, waarin eenige weinigen — namelijk acht zielen — gered werden midden door het water heen.

21 Hiervan is het tegenbeeld, dat u redt, de doop, die niet bestaat in de verwijdering van onreinheid van het vleesch, maar in de bede tot God om een goed geweten, door de opstanding van Jezus Christus,

22 die, daar hij naar den hemel gegaan is, ter rechterhand Gods is, nadat de engelen, krachten en machten zich aan hem onderworpen hadden.

Leven en lijden als Christenen.

4 1 Dewijl dan Christus voor ons in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vleesch geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde;

Hebr. 12 : 1. Rom. 6 : 7.

2 Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der menschen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vleesch, te leven.

Rom. 14 : 7. 2 Kor. 5 : 15. Gal. 2 : 20.

Efez. 4 : 24.1 Thess. 5 : 10. Hebr. 9 : 14.

3 Want het is ons genoeg, dat wij den voorgaanden tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen;

Efez. 4 : 17.

4 Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren;

5 Dewelke zullen rekenschap geven Dengene, Die bereid staat om te oordeelen de levenden en de dooden.

6 Want daartoe is ook den dooden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mensch in het vleesch, maar leven zouden naar God in den geest.

Joh. 5 : 25. 1 Petr. 3 : 19.

7 En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.

1 Joh. 2 : 18. Luk. 21 : 34.

8 Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigte van zonden bedekken.

Spr. 10 : 12.

9 Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmereeren.

Rom. 12 : 13. Hebr. 13 : 2. Filipp. 2 : 14.

10 Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzoo bediene hij dezelve aan de anderen, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods.

Spr. 3 : 28. Rom. 12 : 6. 2 Kor. 8 :11.

Niet meer leven als de heidenen. 1 Dewijl nu Christus voor ons geleden heeft in het vleesch, zoo wapent u ook met diezelfde gezindheid; want wie in het vleesch lijdt, houdt op van de zonde,

2 opdat hij voortaan den tijd, die nog overig is in het vleesch, niet naar de begeerlijkheden der menschen, maar naar den wil Gods leve.

3 Want het is genoeg, dat wij den tijd, die nu voorbij is, doorgebracht hebben naar den heidenschen wil, toen wij wandelden in ontucht, begeerlijkheden, dronkenschap, brasserij, zwelgerij, en gruwelijke afgoderijen.

4 Het dunkt hun vreemd, dat gij u niet met hen laat meevoeren in denzelfden stroom der losbandigheid, en zij lasteren u;

5 doch zij zullen rekenschap geven aan hem, die gereed is om te oordeelen de levenden en de dooden. 2 Tim. 4 :1.

6 Want daartoe is ook den dooden het Evangelie verkondigd, opdat zij geoordeeld zouden worden naar den mensch in het vleesch, maar in den geest Gode leven.

Leven als Christenen.

7 Het einde nu aller dingen is nabij gekomen: daarom zijt matig en nuchter tot het gebed.

Jac. 5 : 8.

8 Maar vóór alle dingen, hebt eene vurige liefde tot elkander; want de liefde bedekt eene menigte van zonden. jac. 5 : 20.

9 Weest gastvrij onder elkander, zonder murmureeren.

10 En de een diene den ander, elk met de gave, welke hij ontvangen heeft, als goede huishouders der menigerlei genade Gods.

1 Daar dan Christus lichamelijk geleden heeft, moet gij u ook met dezelfde gedachte wapenen, dat hij die lichamelijk geleden heeft aan de zonde onttrokken is;

2 opdat gij uw overige aardsche leven niet langer leeft naar menschelijke lusten, maar naar den wil van God.

3 Want waarlijk lang genoeg heeft de verleden tijd geduurd, waarin gij naar den zin der heidenen geleefd hebt, overgegeven aan onmatigheid, wellust, dronkenschap, zwelgerij, drinkgelagen en zondige afgoderijen.

4 Nu gij niet langer u stort in dien poel der liederlijkheid, nu zijn zij van u vervreemd en lasteren zij u.

5 Maar zij zullen rekenschap afleggen aan Hem die gereedstaat levenden en dooden te oordeelen.

6 Want hiertoe is ook aan de dooden de Blijmare gebracht, dat zij wel lichamelijk, zooals het met menschen geschiedt, geoordeeld zijn, maar door Gods kracht geestelijk zullen leven.

7 Het einde van alle dingen is nabij. Weest dan bezonnen en nuchter, zoodat gij kunt bidden.

8 Draagt vóór alles elkander hartelijke liefde toe; want de liefde bedekt een menigte zonden.

9 Weest gastvrij jegens elkander zonder morren.

10 Naarmate ieder uwer zijn eigen gave heeft gekregen, moet gij daarmede elkander dienen als goede beheerders der veelsoortige genade Gods:

Sluiten