Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem gesproken werden: Dit is mijn geliefde Zoon, in wien ik welgevallen heb, —

18 hebben wij deze stem uit den hemel hooren spreken, toen wij met hem waren op den heiligen berg.

19 Zoo hebben wij van het profetische woord bevestiging ontvangen. En gij doet goed, daarop acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de [groote] dag aanbreekt en de morgenster in uwe harten verrijst.

20 En erkent daarbij allereerst dit: dat geen enkele profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat.

21 Want nimmer werd profetie door menschelijken wil voortgebracht, maar, door den heiligen Geest gedreven, hebben menschen van Gods wege gesproken.

mijn welbeminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen gesteld heb."

18 En wijzelf hebben deze stem uit de hemel gehoord, toen wij op de heilige berg waren, tezamen met Hem.

19 Bovendien bezitten we het woord der profeten, dat daardoor nog meer bekrachtigd werd; gij doet dus wèl, met er acht op te slaan als op een lamp, die schijnt op een donkere plaats, totdat de Dag gaat gloren en de Morgenster opgaat in uw harten. —

20 Toch moet gij vóór alles begrijpen, dat er geen enkele profetie der Schrift door eigenmachtige verklaring ontstaat.

21 Want nooit is er een profetie uitgebracht door de wil van een mens, maar onder de drang van den Heiligen Geest hebben mensen gesproken uit naam van God.

kwam: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb.

18 En deze stem hebben ook wij uit den hemel horen komen, toen wij met Hem op den heiligen berg waren.

19 En wij achten het profetische woord (daarom) des te vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten.

20 Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat;

21 want nooit is profetie voortgekomen uit den wil van een mens, maar, door den heiligen Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken.

Afwijzing van dwaalleeraars die in losbandigheid leven. 1 Er traden echter ook valsche profeten onder het volk op; en zoo zullen ook onder u valsche leeraren zijn, die heimelijk verderfelijke ketterijen zullen invoeren en den Gebieder, die hen heeft vrijgekocht, verloochenen, en een schielijk verderf over zich brengen.

Het verderfelijk optreden der dwaalleraars en hun straf. 1 Maar er waren ook valse profeten opgestaan onder het Volk, zoals er ook valse leraars zullen zijn onder ü. Ze zullen verderfelijke ketterijen binnensmokkelen, den Meester verloochenen, die hen heeft vrijgekocht, en zich zó een ras verderf berokkenen.

De dwaalleraars.

1 Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs den heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend.

2 En velen zullen hun losbandigheden navolgen, zoodat om hunnentwil de weg der waarheid zal belasterd worden;

3 en in hun hebzucht zullen zij, door verzinselen, voordeel van u zoeken te behalen. Maar het gericht over hen is sinds lang werkzaam en hun verderf sluimert niet.

4 Want indien God engelen die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar hen in den Tartarus heeft opgesloten en zoo aan de duistere holen heeft overgeleverd, om hen te bewaren voor het gericht; —

5 en indien Hij de wereld van den voortijd niet gespaard heeft, maar [slechts] Noach als prediker der gerechtigheid met zeven anderen in bescherming heeft genomen, toen Hij den zondvloed over de wereld der goddeloozen bracht;

6 — en indien Hij de steden Sodom en Gomorra in de asch gelegd en zoo ten ondergang gedoemd heeft, en daardoor een voorbeeld heeft gesteld voor hen die in de toekomst goddeloosheid zouden bedrijven;

2 En velen zullen hun losbandigheid volgen; door hun toedoen zal de weg der Waarheid worden gelasterd.

3 Ook zullen ze, door winzucht gedreven, u uitbuiten met sluwe woorden. Sinds lang reeds staat hun vonnis klaar, en hun ondergang sluimert niet in.

4 Want wanneer God de zondige engelen niet spaarde, maar ze naar de hel verwees, en opsloot in donkere holen, om ze vast te houden voor het oordeel; —

5 wanneer Hij de oude wereld niet spaarde, maar de zondvloed bracht over de wereld der goddelozen, maar het achttal van Noë, den heraut der gerechtigheid, in hst leven behield; —-

6 wanneer Hij de steden Sodoma en Gomorra in as legde, ze ten ondergang doemde, en ze tot voorbeeld stelde voor goddelozen uit later tijd;

2 En velen zullen hun losbandigheden navolgen, zodat door hun schuld de weg der waarheid gelasterd zal worden;

3 en zij zullen uit hebzucht met verzonnen redeneringen u als koopwaar behandelen; maar het oordeel houdt zich reeds lang met hen bezig en hun verderf sluimert niet.

4> Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in den afgrond te werpen, aan krachten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren;

5 en de wereld van den voortijd niet gespaard heeft, maar Noach. den prediker der gerechtigheid, met zeven anderen bewaard heeft, toen Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen bracht;

6 en de steden Sodom en Gomórra tot as verbrand, tot omkering gedoemd en ten voorbeeld gesteld heeft voor hen, die goddeloos zouden leven,

7 — en indien Hij den rechtvaardigen Lot gered heeft, die voortdurend van het losbandig gedrag dier tuchteloozen te lijden had,

8 — want door hetgeen deze rechtvaardige te zien en te hooren kreeg, werd, daar hij in hun midden bleef wonen, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door hun zondige daden —,

9 [zoo blijkt:] de Heer weet godvruchtigen te redden uit verzoe-

7 maar Lot den rechtvaardige redde, die door het liederlijk gedrag van tuchteloze lieden gekweld werd,

8 daar deze rechtschapen man in hun midden vertoefde, en, dag in, dag uit, zijn rechtvaardige ziel heeft gefolterd door de schandelijke daden die hij zien moest en horen; —

9 dan staat het wel vast: de Heer weet de vromen uit de beproeving

7 maar den rechtvaardigen Lot, die zwaar te lijden had onder den losbandigen wandel dier zedelozen, heeft behouden —

8 want deze rechtvaardige heeft, onder hen wonende, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun tegen alle wet ingaande werken —■

9 dan weet de Here de godvruchtigen uit de verzoeking te verlos-

Sluiten