is toegevoegd aan je favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden;

l Kor. 10 : 13.

10 Maar allermeest degenen, die naar het vleesch in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren;

lossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels om gestraft te worden,

10 maar allermeest degenen, die naar het vleesch in onreine lusten wandelen, en de heerschappij verachten; vermetel, eigenzinnig, ontzien zij reeds niet de majesteiten te lasteren,

slechtaards tot bestraffing voor den dag des Gerichts te bewaren,

10 vooral hen die, begeerig naar bezoedeling, het vleesch achternagaan en de Heerschappij verachten. Dolzinnig vermeten, schromen zij niet op Heerlijkheden te smalen;

11 Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor den Heere voortbrengen.

12 Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren, hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne verdorvenheid verdorven worden;

Jer. 12 : 3. Judas vs. 10.

13 En zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijksche weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn;

14' Hebbende de oogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking;

15 Die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Balaam, den zoon van Bosor, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft;

Num. 22 : 7, 21. Judas vs. 11.

16 Maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met menschenstem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd. Num •>•> ■ 21.

17 Deze zijn waterlooze fonteinen, wolken van eenen draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. Judas vs. 12.

18 Want zij, zeer opgeblazene ijdelheid sprekende, verlokken, door de begeerlijkheden des vleesches en door ontuchtigheden, degenen, die waarlijk ontvloden waren van degenen, die in dwaling wandelen;

19 Belovende hun vrijheid, daar zijzelven dienstknechten zijn der verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt.

Joh. 8 : 34. Rom. 6 : 16.

20 Want indien zij, nadat zij, door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.

Hebr. 6 : 4. 10 : 26. Matt. 12 : 45.

21 Want het ware hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, dien gekend hebbende, weder afkeeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was.

11 waar de Engelen zelfs, die grooter sterkte en macht hebben, geen lasterlijk oordeel tegen hen voortbrengen voor den Heer.

12 Maar dezen als redelooze dieren, die van nature daartoe geboren zijn, dat zij gevangen en gedood worden, zullen, dewijl zij lasteren hetgeen zij niet kennen, in hun verderf omkomen en het loon der ongerechtigheid wegdragen.

13 De tijdelijke weelde achten zij hun lust; zij zijn schandvlekken en smetten, weelderig in hunne bedriegerijen, terwijl zij met u brassen;

14 zij hebben oogen vol overspel, en houden niet op te zondigen, verlokken de onstandvastige zielen, hebben een hart geoefend in gierigheid, zijn kinderen der vervloeking.

15 Nadat zij den rechten weg verlaten hebben, zijn zij afgedwaald en volgen den weg van Bileam, den zoon van Beor, die het loon der ongerechtigheid liefhad;

Num. 22 : 17.

16 maar hij heeft de bestraffing zijner overtreding gehad: een stom lastdier, dat sprak met eene menschenstem, stuitte des profeten waanzin.

Num. 22 : 22—30.

17 Dezen zijn fonteinen zonder water, en wolken door een dwarrelwind omgedreven, voor wie de donkere duisternis in eeuwigheid bewaard wordt.

18 Want zij spreken opgeblazen woorden, waar niets achter is, en levende in begeerlijkheden des vleesches, verlokken zij door ontucht hen, die nauwelijks ontvloden waren dengenen, die in dwaling wandelen,

19 en beloven hun vrijheid, terwijl zijzelve slaven des verderfs zijn; want door wien iemand overwonnen is, diens slaaf is hij geworden.

20 Want indien zij den besmettingen der wereld ontvloden zijn door de kennis van den Heer en Zaligmaker Jezus Christus, maar wederom in deze ingewikkeld en overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.

21 Want het ware hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan, na dien te hebben gekend, terug te keeren van het heilig gebod, dat hun overgegeven is.

11 terwijl engelen, die toch in macht en kracht hun meerderen zijn, het niet wagen tegen die Heerlijkheden bij den Heer een smalend oordeel uit te spreken. lS"Maar zij, als redelooze dieren, die van nature geboren zijn om te vangen en te verderven, smalend op dat waarvan zij niets weten, zullen zelf in hun verderf tegrondegaan,

13 het loon der ongerechtigheid ontvangend. Overdag slempen houden zij voor een genot, vuile menschen, schandvlekken, brassend wanneer zij in hun leugenmaaltijden zich met u te goed doen;

14 hun oogen zijn vol overspel, en zij zondigen onophoudelijk; zij verlokken onvaste zielen; hun hart is geoefend in hebzucht; kinderen van den vloek zijn ze.

15 Den rechten weg verlatend, zijn zij verdwaald en den weg ingeslagen van Bileam den zoon van Beor, die ongerecht loon liefhad,

16 maar een terechtwijzing voor zijn overtreding kreeg: het stomme lastdier, met een menschenstem sprekend, hield den profeet in zijn waanzin tegen.

17 Zij zijn bronnen zonder water en door een stormwind weggedreven nevels; de donkerte van de duisternis is voor hen bewaard.

18 Want daar zij nietsbeteekenende, snorkende taal uitslaan, verlokken zij in liederlijke, vleeschelijke lusten hen die tenauwernood ontkomen zijn aan die dolende menschen.

19 Zij kondigen hun vrijheid aan, maar zijn zelf slaven van het verderf. Want waardoor iemand overwonnen is, daarvan is hij de slaaf.

20 Indien toch zij die door de erkenning van den Heer en redder Jezus Christus aan de bezoedelingen der wereld ontvlucht zijn, daardoor weer verstrikt, het onderspit delven, dan wordt hun later lot erger dan hun vorig.

21 Want beter zou het voor hen zijn geweest den weg der gerechtigheid niet te hebben leeren kennen dan na daarmee kennis gemaakt te hebben zich weer te hebben afgewend van het hun overgeleverde, heilige gebod.