is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II Op hen is toepasselijk de bedoeling van het ware gezegde: een hond teruggekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en: een zeug die zich baadt, om zich dan weer te wentelen in het slijk.

Bestrijding van de loochening

van Christus' wederkomst.

1 Dit is nu reeds, geliefden, de tweede brief dien ik u schrijf; en in beide tracht ik, door u aan die dingen te herinneren, een zuivere gezindheid wakker te roepen;

2 opdat gij in gedachtenis houdt de woorden, die door de heilige profeten te voren gesproken zijn, en het gebod van onzen Heer en Heiland, dat door uw apostelen aan u is overgeleverd.

3 En daarbij moet gij in de eerste plaats dit weten: dat in de laatste dagen spotters zullen komen met hun spotternij, menschen die zich door hun eigen lusten laten leiden

4 en zeggen: „Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sinds de vaderen ter ruste gingen, blijft alles zóó, als het van het begin der schepping is geweest."

5 Bij deze bewering ontgaat hun namelijk, dat de hemelen van eeuwenher geweest zijn, benevens de aarde die uit water en door water bestond, krachtens het woord van God;

6 en dat daardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water.

7 Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat gespaard gebleven voor het vuur, ten dage van het gericht en van den ondergang der goddelooze menschen.

Christus' wederkomst uitgesteld

door de lankmoedigheid Gods.

8 Doch dit ééne mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij den Heer is als duizend jaren en duizend jaren als één dag.

9 De Heer is met zijn belofte niet in verzuim, gelijk sommigen het voor verzuim houden; maar hij betoont te uwen opzichte lankmoedigheid, daar hij niet wil dat eenigen verloren gaan, maar dat allen tot inkeer komen.

10 De dag des Heeren zal echter komen als een dief. Dan zullen de hemelen met gedruisch vergaan en de elementen in vuurgloed verteerd worden, en de aarde en de werken daarop [waardeloos] worden bevonden.

11 Wanneer al deze dingen op deze wijze ontbonden worden, hoedanig moet gij dan wel zijn in heiligen wandel en godsvrucht?

12 gij, die verwacht en verhaast de komst van den dag Gods, terwille waarvan de hemelen in den brand zullen verteerd worden en de elementen in vuurgloed wegsmelten.

22 Voor hen blijft gelden, wat het toepasselijke spreekwoord zegt: „Een hond keert terug naar zijn eigen braaksel," en „een schoongewassen zwijn wentelt zich weer in de modder."

De opwerping der spotters.

1 Geliefden, dit is reeds de tweede brief, die ik u schrijf. In beide trachtte ik, door het opfrissen van het geheugen, uw goede gezindheid levendig te houden,

2 opdat gij de voorspelling der heilige profeten indachtig zoudt blijven, alsook het gebod van den Heer en Verlosser, door uw apostelen verkondigd.

3 Vóór alles moet gij er aan denken, dat op het einde der tijden spotters met bijtende spot zullen

lijmen, uic ncLÈtr nun eigen lusten leven, en zeggen:

4 „Waar blijft nu de belofte van zijn Komst? Want sinds de Vaders zijn ontslapen, blijft alles zoals het geweest is van het begin der schepping af!"

De Dag des Heren komt als een dief in de nacht.

5 Het ontgaat hun immers met opzet, dat door Gods woord de hemelen van oudsher bestonden, en de aarde uit water en door water ontstond;

6 en dat de toenmalige wereld door beide wateren werd overstroomd en verging.

7 Welnu, door hetzelfde woord van God zijn de huidige hemel en aarde zorgvuldig behouden, en bewaard voor het vuur tegen de Dag van het Oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen.

8 Geliefden, dit éne mag u niet ontgaan: Voor den Heer is één dag als duizend jaar, en duizend jaar als één dag.

9 Niet traag is de Heer met zijn belofte, zoals sommigen dat traagheid noemen; maar lankmoedig is Hij voor u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, maar dat allen zich zullen bekeren.

10 Maar komen zal de Dag des Heren als een dief; en dan zullen de hemelen vergaan met donderend geweld, de elementen zullen verbranden en smelten, zo ook de aarde met al wat er op is gemaakt.

Practische conclusies voor ons allen.

11 En wanneer zó dit alles ineen stort, hoe moet gij dan wel uitmunten in heilige wandel en vroomheid,

12 en reikhalzend uitzien naar de komst van de Dag van God! Terwille van hem zullen de hemelen ineen zinken door vuur, de elementen verbranden en smelten,

22 Hun is overkomen, wat een waar spreekwoord zegt: Een hond, die teruggekeerd is naar zijn uitbraaksel, of: een gewassen zeug naar den modderpoel.

Spr. 26 : U.

De dag des Heren.

1 Dit is reeds de tweede brief, ge- 3 liefden, dien ik u schrijf, waarin

ik uw zuiver besef door herinnering tacht wakker te houden,

2 om aan de woorden te denken, die door de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan het gebod uwer apostelen van den Here en Heiland.

3 Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen,

4 en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst ? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is.

5 Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat,

6 waardoor de toenmalige wereld is vere:aan. verzwole-en door het

water.

7 Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen den dag van het oordeel en van den ondergang der goddeloze mensen.

8 Doch dit éne mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dae bii

den Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.

9 De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen.

10 Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op dien dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, maar de aarde en de werken daarop zullen overblijven.

11 Daar al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort gij te zijn in heiligen wandel en godsvrucht,

12 vol verwachting ernst makende met de komst van den dag Gods, ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten.