is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genade van onzen God omzetten in losbandigheid, en onzen eenigen gebieder en Heer, Jezus Christus, verloochenen.

5 Nu wil ik, daar gij alles ééns voor al reeds weet, u er aan herinneren, dat de Heer, nadat hg eerst het Volk uit het land van Egypte gered had, een ander maal de ongeloovigen gedood heeft;

6 en dat hij de engelen die hun eigen hoog ambt niet in eere gehouden, maar hun woonstede verlaten hebben, met eeuwige banden voor het gericht van den grooten dag in bewaring heeft gehouden, onder de macht der duisternis;

7 zooals Sodom en Gomorra en de naburige steden, die op gelijke wijze als zij zich met ontucht en zinnelijke afdwaling met anderen hadden afgegeven, voor aller oog tot een teeken zijn gesteld, nu zij de eeuwige vuurstraf lijden.

de genade van onzen God in liederlijkheid verkeren, en Jesus Christus verloochenen, onzen enigen Meester en Heer.

Vonnis over ongeloof en ongerechtigheid. 5 En nu gij eenmaal dit alles weet, wil ik u ook in herinnering brengen, hoe de Heer het Volk uit het land van Egypte verloste, maar later de ongelovigen in het verderf heeft gestort; —

6 hoe Hij de engelen, die hun Heerschappij niet bewaarden, maar hun eigen woonsteden verlieten, met eeuwige boeien in de duisternis vasthoudt voor het gericht van de grote Dag; —

7 hoe Sodoma en Gomorra met de omliggende steden, die ontucht bedreven evenals zij, en tegennatuurlijke vleselijke lusten hebben nagejaagd, tot een voorbeeld gesteld zijn van de straf door het eeuwige vuur.

van onzen God in losbandigheid veranderen en onzen enigen heerser en Here, Jezus Christus, verloochenen.

5 Maar ik wil u te binnen brengen — gij hebt het immers alles eens voor goed vernomen — dat de Here een volk uit Egypteland verlost heeft, maar een andermaal hen, die niet tot geloof gekomen waren, verdelgd heeft;

6 en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van den groten dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden;

7 zoals Sodom en Gomorra en de steden in haar nabijheid, die op gelijke wijze als zij haar hoererij hebben botgevierd en ander vlees achternagelopen zijn, daar liggen als voorbeeld, onder een straf van eeuwig vuur.

8 Niettemin bezoedelen ook deze gezichtendroomers die zij zijn, op gelijke wijze hun lichaam, en verachten de [hemelsche] heerschappij, en uiten smaadtaal tegen die heerlijkheden.

9 Maar de aartsengel Michaël, toen hij in een woordenwisseling met den duivel twistte over het lichaam van Mozes, heeft het niet gewaagd, een smalend oordeel over hem te uiten; maar hij zeide: De Heer moge u bestraffen.

10 Doch deze lieden uiten smaadtaal tegen wat zij niet kennen; daarentegen, in wat zij op louter natuurlijke wijze, als de redelooze dieren weten, daarin bewerken zij hun ondergang.

11 Wee hun, dat zij den weg van Kaïn gevolgd zijn; dat zij zich, om loon, aan de misleiding van Bileam hebben overgegeven, en door den tegenstand van Korach ten verderve zijn gegaan!

Wee dus over de dwaalleraars. 8 Zo bezoedelen ook deze dromers hun vlees; ze verachten de Heerschappij, en beschimpen de Heerlijkheden.

9 Welnu, zelfs de aartsengel Mikaël durfde geen smadend oordeel vellen, toen hij met den duivel over het lichaam van Moses twistte, maar hij zeide: „De Heer bestraffe u!"

10 Deze lieden echter beschimpen, wat ze niet kennen; en wat ze kennen op natuurlijke wijze als redeloos vee, daarmee gaan ze te gronde.

11 Wee over hen! Want zeslaan de weg van Kaïn in; om loon werpen ze zich op Balaams bedrog; ze komen om in de opstand van Kore.

8 Desgelijks bezoedelen ook deze dromenzieners hun vlees, verwerpen wat heerschappij heet en lasteren de heerlijkheden.

9 Maar Michaël, de aartsengel, durfde, toen hij met den duivel in twist gewikkeld was over het lichaam van Mozes, geen smadelijk oordeel uitbrengen, doch hij zeide: De Here straffe u!

10 Zij echter lasteren al wat zij niet kennen en in hetgeen zij, gelijk de redeloze wezens, van nature weten, ligt hun verderf.

11 Wee hun, want zij zijn den weg van Kaïn opgegaan, zij zijn voor de verleiding van een Bileamsloon bezweken en door het verzet van een Korach ten onder gegaan.

12 Dezen zijn de schandvlekken bij uwe liefdemaaltijden, waar zij onbeschroomd samen zich te goed doen, zichzelf weiden; waterlooze wolken die door de winden worden voorbijgedreven; boomen als in den wintertijd, van vrucht ontbloot, dubbel verstorven, ontworteld;

13 wilde baren der zee, die hun eigen schande opschuimen; dwaalsterren; lieden voor wie de donkerste duisternis voor eeuwig is weggelegd.

14 En ook van deze lieden heeft de zevende van Adam af, namelijk Henoch, geprofeteerd, toen hij sprak: Zie, de Heer is gekomen met zijn heilige tienduizenden,

15 om gericht te houden over allen, en om al de goddeloozen te bestraffen, wegens al hun goddelooze werken, die zij in hun godde-

12 Ze zijn de schandvlekken op uw liefdemalen, schaamteloze brassers, die zichzelf weiden; wolken zonder water, voortgestuwd door de wind; bomen zonder vrucht in de herfst, morsdood en ontworteld;

13 woeste golven der zee, die hun •eigen schande opspatten; dwaalsterren, wie diepste duisternis voor eeuwig wacht.

14 Tegen hen heeft Henok, de zevende van Adam af, aldus geprofeteerd: „Zie de Heer komt met zijn tienduizenden heiligen,

15 om gericht te houden over allen, en om alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die ze verrichten, en voor

12 Dezen zijn de schandvlekken bij uw liefdemalen, zij, die zonder schroom te zamen feesten om zichzelf te weiden; wolken, die geen water geven, daar zij door winden voorbijgejaagd worden; bomen, die in den laten herfst geen vrucht geven; tweemaal gestorven zijn zij en ontworteld;

13 wilde baren der zee, die hun eigen schande opschuimen; dwaalsterren. Voor hen is de donkerste duisternis voor eeuwig weggelegd

14 Ook over hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden,

15 om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven

977