is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9 Ik weet uwe werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn eene synagoge des Satans.

10 Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal eenigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult eene verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.

11 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, zal van den tweeden dood niet beschadigd worden.

Matt. 13 : 9.

Derde brief: aan Pérgamus.

12 En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Pérgamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft:

Openb. 1 : 16. 2 : 16.

13 Ik weet uwe werken, en waar gij woont, namelijk daar de troon des Satans is; en gij houdt Mijnen Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke A'ntipas Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, daar de Satan woont.

14 Maar Ik heb eenige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de leering van Balaam houden, die Balak leerde den kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereeren.

Num. 22 : 23. 24 : 14. 25 : 1. 31 : 16.

15 Alzoo hebt ook gij, die de leering der Nikolaïeten houden; hetwelk Ik haat.

16 Bekeer u; en zoo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds. jes. 49 : 2. Efez. 6 : 17.

Hebr. 4 : 12. Openb. 1 : 16.

17 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven eenen witten keursteen, en op den keursteen eenen nieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt.

Vierde brief: aan Thyatire.

18 En schrijf aan den engel der Gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijne oogen heeft als eene vlam vuurs, en Zijne voeten zijn blinkend koper gelijk:

Openb. 1 :14,15.

19 Ik weet uwe werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uwe lijdzaamheid, en uwe werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste.

20 Maar Ik heb eenige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Jezabel, die zich zelve zegt eene profetes te zijn, laat leeren en Mijne dienstknechten verleiden, dat zij hoereeren en afgodenoffer eten.

1 Kon. 16 : 31. 2 Kon. 9 : 7.

21 En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeeren van hare hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd.

9 Ik weet uwe werken en uwe droefenis en uwe armoede — maar gij zijt rijk — en de lastering dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en het niet zijn, maar eene synagoge des satans. joh. 2 : 5.

10 Vrees geen der dingen, welke gij lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult verdrukking hebben tien dagen lang. Wees getrouw tot den dood, zoo zal ik u de kroon des levens geven.

Jak. 1 : 12. 1 Petr. 5 : 4.

11 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt: Wie overwint, dien zal geen leed geschieden van den tweeden dood.

De brief aan Pérgamus.

12 En schrijf aan den Engel der gemeente te Pérgamus: Dit zegt hij, die het scherp tweesnijdend zwaard heeft:

Openb. 1 : 16.

13 Ik weet, waar gij woont, namelijk waar de troon des satans is; en dat gij vasthoudt aan mijnen naam, en het geloof in mij niet hebt verloochend, zelfs in die dagen, in welke Antipas, mijn getrouwe getuige, gedood is bij u, waar de satan woont.

14 Maar ik heb een weinig tegen u, dat gij aldaar hebt die de leering van Bileam houden, die Balak leerde eenen valstrik te leggen voor de kinderen Israëls, opdat zij het offer der afgoden zouden eten en hoererij bedrijven.

Num. 25 : 2. 31 : 16.

15 Zoo hebt ook gij er, die het met de leer der Nicolaïeten houden; dat haat ik.

16 Doe dan boete; maar zoo niet, dan zal ik schielijk tot u komen, en tegen hen strijden met het zwaard mijns monds.

17 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt: Wie overwint, dien zal ik te eten geven van het verborgen manna, en zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent dan wie hem ontvangt.

De brief aan Thyatira.

18 En schrijf aan den Engel der gemeente te Thyatira: Dit zegt de Zoon Gods, die oogen heeft als eene vuurvlam, en wiens voeten zijn gelijk blinkend koper:

Openb. 1 : 14, 15.

19 Ik weet uwe werken, en uwe liefde, en uwen dienst, en uw geloof, en uwe lijdzaamheid, en dat gij hoe langer hoe meer doet.

20 Maar ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izébel, die zegt, dat zij eene profetes is, laat leeren en mijne dienstknechten verleiden om hoererij te bedrijven en afgodenoffer te eten.

1 Kon. 16 : 31. 2 Kon. 9 : 22.

21 En ik heb haar tijd gegeven, opdat zij boete zou doen voor hare hoererij, doch zij doet geen boete.

9 Ik ken uw verdrukking en armoede — doch gij zijt rijk — en de lastering der menschen die zeggen dat zij Joden zijn, en zij zijn het niet, maar zij zijn een Synagoge van den Satan.

10 Vrees niet voor hetgeen gij zult lijden. Zie, de Duivel zal sommigen uwer in de gevangenis werpen, opdat gij op de proef gesteld wordt, en gij zult tien dagen verdrukking lijden. Wees getrouw tot den dood; dan zal ik u den krans des levens geven.

11 Wie een oor heeft hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint zal van den tweeden dood geen schade lijden.

Brief aan Pergamum. Het verborgen manna voor de getrouwen.

12 Schrijf aan den engel der gemeente te Pergamum: Zoo spreekt hij die het tweesnijdend scherp zwaard heeft:

13 Ik weet waar gij woont; daar waar de troon van den Satan is; gij houdt aan mijn naam vast en verloochendet het geloof in mij niet, zelfs niet in de dagen van Antipas, mijn getrouwen getuige, die omgebracht is bij u, waar de Satan woont.

14 Maar ik heb enkele dingen tegen u: dat gij daar menschen hebt die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde aan de zonen Israëls een struikelblok in den weg te leggen: het eten van offervleesch en hoereeren.

15 Zoo hebt gij er ook die desgelijks aan de leer der Nicolaïeten vasthouden.

16 Bekeer u dan. Zoo niet, dan kom ik spoedig tot u en bestrijd hen met het zwaard van mijn mond.

17 Wie een oor heeft hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Hem die overwint zal ik van het verborgen manna geven; ook zal ik hem een witten steen geven, en op dien steen zal een nieuwe naam geschreven staan, dien niemand kent dan hij die den steen krijgt.

Brief aan Thyatira.

Houd vast hetgeen gij hebt. 18 Schrijf aan den engel der gemeente te Thyatira: Zoo spreekt de Zoon Gods, die oogen heeft als vuurvlammen en voeten als metaal:

19 Ik ken uw werken, liefde, geloof, dienstbetoon en geduld, en uw laatste werken zijn beter dan de vorige.

20 Maar ik heb tegen u dat gij vrouw Izebel laat begaan, die zich een profetes noemt en mijn dienaren leert en verleidt om te hoereeren en offervleesch te eten.

21 Ik heb haar tijd gelaten om tot inkeer te komen; maar zij wil zich niet bekeeren van haar hoererij.