is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en eer en heerlijkheid en kracht tot in alle eeuwigheden.

14 En de vier wezens zeiden: Amen. En de oudsten zonken neder en aanbaden.

eer en glorie, En kracht in de eeuwen der eeuwen!

14 En de vier Dieren riepen: Amen! En de Oudsten vielen aanbiddend neer.

zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid.

14 En de vier dieren zeiden: Amen. En de oudste» wierpen zich neder en aanbaden.

De zeven zegelvisioenen. De eerste vier zegels: de vier ruiters. Vier oordeelen over de wereld.

1 En ik zag: toen het Lam het eerste der zeven zegelen opende, zoo hoorde ik het eerste der vier wezens als met het geluid des donders zeggen: Kom!

2 En ik zag, en zie, een wit paard; en hij die daarop gezeten was, hield een boog; en hem werd een krans gegeven, en hij trok uit als overwinnaar, en om te overwinnen.

3 En toen het Lam het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede wezen zeggen: Kom!

4 En een ander paard trok uit, vuurrood; en hem die daarop gezeten was, dien werd gegeven, den vrede van de aarde te nemen, dat zij elkander zouden dooden; en hem werd een groot zwaard gegeven.

5 En toen het Lam het derde zegel opende, hoorde ik het derde wezen zeggen: Kom! En ik zag, en zie, een zwart paard; en hij die daarop gezeten was, hield een weegschaal in zijn hand.

6 En ik hoorde als een stem te midden der vier wezens zeggen: Een maat tarwe voor een zilverstuk, en drie maten gerst voor een zilverstuk; en doe geen schade aan de olie en den wijn.

7 En toen het Lam het vierde zegel opende, hoorde ik de stem van het vierde wezen zeggen: Kom!

8 En ik zag, en zie, een vaal paard; en hij die daarop gezeten was, diens naam luidde Dood, en hij had het doodenrijk in zijn gevolg. En hun werd macht gegeven over het vierde deel der aarde, om te dooden met het zwaard, en met den honger en de pest, en door het wild gedierte der aarde.

Het vijfde zegel: de klacht der martelaren en hun vertroosting.

9 En toen het Lam het vijfde zegel opende, daar zag ik onder het altaar de zielen van degenen die gedood waren ter wille van Gods woord en het getuigenis dat zij bezaten.

10 En zij riepen met luide stem en zeiden: Hoe lang nog, Heer, gij heilige en waarachtige, zult gij niet oordeelen, en ons bloed niet wreken aan hen die op de aarde wonen ?

11 En aan ieder hunner werd een wit gewaad gegeven; en hun werd gezegd, nog een korten tijd te rusten, tot het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en broeders, die nog, gelijk als zij, zouden gedood worden.

De eerste vier zegels; Gods raadsbesluit over de komende rampen. 1 Ik bleef toezien. Toen het Lam hst eerste van de zeven zegels opende, hoorde ik één van de vier Dieren roepen als met de stem van de donder: Kom uit!

2 Ik zag toe. En zie: een wit paard. En die er op zat, had een boog, en hem werd een kroon gegeven; als overwinnaar trok hij uit, om nog meer te overwinnen.

3 Toen het Lam het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede Dier roepen: Kom uit!

4 En een ander paard kwam te voorschijn, vuurrood. Aan zijn berijder werd het gegeven, de vrede van de aarde weg te nemen, zodat men elkaar zou vermoorden; een groot zwaard werd hem ter hand gesteld.

5 Toen het Lam het derde zegel opende, hoorde ik het derde Dier roepen: Kom uit! Ik zag toe. En

zie: een zwart paara; en aie er op zat, had een weegschaal in zijn hand.

6 En ik hoorde een stem te midden der vier Dieren roepen: Een maat tarwe voor een tienling, en voor een tienling drie maten gerst; maar de olie en de wijn moogt ge niet schaden!

7 Toen het Lam het vierde zegel opende, hoorde ik de stem van het vierde Dier roepen: Kom uit! Ik zag toe. En zie: een vaal paard; en die er op zat, heette de Dood; en de Onderwereld kwam achter hem aan.

8 En hun werd macht gegeven over het vierde deel der aarde, om te doden met zwaard en hongersnood, met pest en wilde beesten.

Vijfde zegel; Gods raadsbesluit over de tijd van rust na de rampen. 9 En toen het Lam het viifde ze¬

gel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen. die waren

geslacht om Gods woord en om de getuigenis, die ze hadden beleden.

10 En ze riepen met machtige stem: Hoelang nog, o heilige, waarachtige Heer, Velt Gij geen oordeel, En wreekt Gij ons bloed niet op hen, Die de aarde bewonen ?

11 Toen werd aan ieder van hen een wit gewaad geschonken. Maar er werd hun aangezegd, dat ze nog een korte tijd moesten rusten, totdat hun mededienaars en broeders, die gedood zouden worden juist zoals zij, geheel voltallig zouden zijn.

De eerste zes zegels geopend. 1 En ik zag, toen het Lam een c van de zeven zegels opende, en ik D hoorde een van de vier dieren zeggen met een stem als van een donderslag: Kom!

2 En ik zag, en zie, een wit paard, en die er op zat, had een boog en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen.

Zach. 6 : 2. 3.

3 En toen Hij het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom!

4 En een tweede, een rossig paard, kwam, en hem, die er op zat, werd gegeven den vrede van de aarde weg te nemen, en dat zij elkander zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven.

5 En toen Hij het derde zegel opende, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom! En ik zag, en zie, een zwart paard, en die erop zat had een weegschaal in zijn hand.

6 En ik hoorde als een stem te midden van de vier dieren zeggen: Een maat tarwe voor een schelling en drie maten gerst voor een schelling; en breng geen schade toe aan de olie en den wijn.

7 En toen Hij het vierde zegel opende, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom!

8 En ik zag-, en zie. een vaal

paard, en die daarop zat, zijn naam was [de] dood, en het dodenrijk volgde achter hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel der aarde om te doden.

met het zwaard, met den honger, met den zwarten dood en door de wilde dieren der aarde.

Ezech. 14 : 21.

9 En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden.

10 En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet op hen, die op de aarde wonen?

11 En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korten tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals

zij-