Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen mond, en in hunne staarten; want hunne staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve.

20 En de overige menschen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en steen-en, en houten

afgoden, die noen zien Kunnen, noch hooren, noch wandelen;

Ps. 115 : 4, 5, 6, 7. 135 : 15.

21 En hebben zich ook niet bekeerd van hunne doodslagen, noch van hunne venijngevingen, noch van hunne hoererij, noch van hunne dieverijen.

Het boek uit den hemel wordt door Johannes opgegeten. m 1 En ik zag eenen anderen sterken engel, afkomende van den hemel, die bekleed was met eene wolk; en een regenboog was boven zijn hoofd; en zijn aangezicht was

ais ae zon, en vucicu waign

als pilaren van vuur.

Matt. 17 : 2. Openb. 1 : 15.

2 En hij had in zijne hand een boeksken, dat geopend was; en hij zette zijnen rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde.

3 En hij riep met eene groote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hunne stemmen.

4 En toen de zeven donderslagen hunne stemmen gesproken hadden, zoo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde eene stem uit den hemel, die tot mij zeide: Verzegel, hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. Dan. 8 : 26. 12 : 4.

5 En de engel, dien ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijne hand op naar den hemel,

Dan. 12 : 7.

6 En hij zwoer bij Dien, Die leeft in alle eeuwigheid, Die den hemel geschapen heeft, en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn; openb. 11 : 15.

7 Maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijnen dienstknechten, den profeten, verkondigd heeft.

in hunnen mond en in hunne staarten, want hunne staarten zijn gelijk aan slangen en hebben hoofden, en daarmede doen zij schade.

20 En de overgebleven menschen, die niet gedood waren door deze plagen, deden echter geen boete voor de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen, en de gouden, zilveren, koperen, steenen en houten afgoden, die niet zien noch hooren noch wandelen kunnen;

Ps. 115 : 4—7. 135 : 15—18. Jer. 10 : 3—5.

Dan. 5 : 23.

21 zij deden ook geen boete voor hunne moorden, tooverijen, hoererij en diefstallen.

De Engel met het boekske.

1 Ik zag een anderen sterken Engel van den hemel afkomen, die was met eene wolk bekleed, en met een regenboog op zijn hoofd, en zijn aangezicht was als de zon, en zijne voeten waren als vuurpilaren,

Openb. 5 : 2.

2 en hij had in zijne hand een boekje, dat geopend was; en hij zette zijnen rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde,

Openb. 5 : 1.

3 en hij riep met eene groote stem, gelijk een leeuw brult. En als hij riep, verhieven zeven donderslagen hunne stemmen.

4 En toen de zeven donderslagen hunne stemmen gesproken hadden, wilde ik schrijven; toen hoorde ik eene stem van den hemel tot mij zeggen: Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet.

Dan. 8 : 26. 12 : 4, 9.

5 En de Engel, dien ik zag staan op de zee en op de aarde, hief zijne rechterhand op naar den hemel, Dan. 12 : 7.

6 en zwoer bij Hem, die van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft, die den hemel geschapen heeft en wat daarin is, en de aarde en wat daarop is, en de zee en wat daarin is, dat er geen tijd meer zijn zal;

7 maar in de dagen van de stem des zevenden Engels, als hij bazuinen zal, zal voleindigd worden de verborgenheid Gods, gelijk Hij verkondigd heeft aan zijne dienstknechten, de profeten.

Amos 3 : 7.

lag in hun bek en in hun staart; de staarten toch waren aan slangen gelijk, met koppen, en daarmee richtten zij schade aan.

20 En de overige menschen, zij die niet gedood werden door die plagen, bekeerden zich niet van de werken hunner handen, maar aanbaden de duivelen en de afgoden, de gouden, de zilveren, de koperen, de steenen en de houten, die niet kunnen zien, noch hooren, noch loopen,

21 en zij bekeerden zich ook niet van hun moorden, het gebruik yan tooverdranken, hoererij en diefstal.

Profetie omtrent de zevende bazuin.

1 Ik zag een anderen engel uit den hemel neerdalen, een sterken, gehuld in een wolk, de regenboog boven zijn hoofd, zijn aangezicht aan de zon gelijk, zijn beenen als vurige zuilen,

2 in zijn hand een geopende boekrol. Hij zette den rechtervoet op de zee, den linker op het land

3 en riep met geweldige stem, zooals een leeuw brult. En toen hij riep, lieten de zeven donders hun stem hooren.

4 Toen nu de zeven donders spraken, ging ik het opschrijven; maar ik hoorde een stem uit den hemel zeggen: Verzegel wat de zeven donders zeiden en schrijf het niet op.

5 En de engel dien ik zag staan op de zee en op het land hief zijn rechterhand naar den hemel op

6 en zwoer bij Hem, die leeft tot in alle eeuwigheid, die den hemel met wat daarin is en de aarde met wat daarop is en de zee met wat daarin is heeft geschapen: Er zal geen tijd meer zijn;

7 maar in de dagen waarin de zevende engel zich laat hooren, wanneer hij zal blazen, dan is de geheime raad Gods volbracht, de Heilmare die Hij aan zijn dienaren de profeten heeft meegedeeld.

8 En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij, en zeide: Ga henen, neem het boeksken, dat geopend en in de hand des engels is, die op de zee en op de aarde staat.

9 En ik ging henen tot den engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij: Neem dat en eet 'het op; en het zal uwen buik bitter maken, maar in uwen mond zal het zoet zijn als honig. Ezee. 3 : 1.

8 En ik hoorde de stem van den hemel wederom met mij spreken, en zeggen: Ga heen, neem het geopende boekje, dat in de hand van den Engel is, die op de zee en op de aarde staat.

9 En ik ging heen tot den Engel, en zeide tot hem: Geef mij dat boekje. En hij zeide tot mij: Neem en verslind het; en het zal uwen buik doen krimpen, maar in uwen mond zal het zoet zijn als honig.

Ezech. 3 : 1—3.

8 En de stem die ik van den hemel had gehoord sprak wederom tot mij en zeide: Ga, neem het geopende boek dat de engel die op de zee en op het land staat in de hand heeft.

9 Ik ging dan naar den engel, hem zeggend mij de boekrol te geven. Hij zeide tot mij: Neem ze en eet haar op; zij zal bitter zijn in uw lijf, maar in uw mond zoet als honing.

Sluiten