Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16 En zeggende: Wee, wee, de groote stad! die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met paarlen; want in ééne ure is zoo groote rijkdom verwoest.

Openb. 17 : 4.

17 En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre;

18 En riepen, ziende den rook van haren brand, en zeggende: Wat stad was deze groote stad gelijk ?

Jes. 43 : 10. Openb. 18 : 9. Openb. 13 : 4.

19 En zij wierpen stof op hunne hoofden, en riepen, weenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de groote stad, in dewelke allen, die schepen in de zee hadden, van hare kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in ééne ure verwoest geworden.

16 en zeggen: Wee, wee de groote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad en purper en scharlaken, en versierd was met goud en edelgesteente en paarlen! Want in één uur is al die rijkdom verwoest.

17 En alle stuurlieden, en allen die op eenige plaats varen, en het scheepsvolk en zoovelen de zee bouwen, stonden van verre,

Ezech. 27 : 29—32.

18 en riepen, toen zij den rook van haren brand zagen en zeiden: Welke [stad] was aan deze groote stad gelijk?

19 En zij wierpen stof op hunne hoofden, en riepen, weenende en rouwklagende, en zeiden: Wee, wee de groote stad, in welke allen, die schepen in zee hadden, rijk geworden zijn van hare kostelijkheid!

16 en zeggen: Wee, wee die groote stad, die getooid was in fijn linnen, purper en scharlaken, bedekt met goud, edelgesteenten en paarlen; want in éen uur is al die groote rijkdom verwoest.

17 En alle stuurlieden en kustvaarders, de zeelieden en zoovelen de zee beploegen stonden in de verte

18 en riepen op het gezicht van den rook van haar brand: Welke stad was aan deze groote stad gelijk?

19 Zij strooiden stof op hun hoofd en riepen weenend en jammerend: Wee, wee de groote stad, door wier schatten rijk geworden zijn allen die schepen op zee hadden; want in éen uur is zij verwoest! —

20 Bedrijft vreugde over haar, gij hemel! en gij heilige apostelen, en gij profeten! want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.

Openb. 19 : 2.

20 Want in één uur is zij vernield. Verblijdt u over haar, gij hemel, en gij heiligen en apostelen en profeten, want God heeft uwe rechtzaak aan haar geoordeeld!

20 Verheug u over haar, gij hemel! Ook gij heiligen, apostelen en profeten; want God heeft het door u aangekondigd gericht aan haar voltrokken.

21 En een sterke engel hief eenen steen op als eenen grooten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de groote stad Babyion met geweld geworpen worden, en zal niet meer worden gevonden. jer. 51 : 64.

22 En de stem der citerspelers, en der zangers, en der fluiters, en der bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden.

Jer. 25 : 10. Ezec. 26 : 13. Jer. 25 : 10.

23 En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem eens bruidegoms en eener bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uwe kooplieden waren de grooten der aarde, want door uw tooverij zijn alle volken verleid geweest.

_ Jer. 7 : 34. 16 : 9. 25 : 10.

24 En m dezelve is gevonden het bloed der profeten en der heiligen, en al dergenen, die gedood zijn op de aarde. openb. 17 : 6.

Zegelied

in den hemel over Babylon's val.

19 1 En na dezen hoorde ik als eene groote stem eener groote schare in den hemel, zeggende: Halleluja! de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij den Heere, onzen God.

2 Want Zijne oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig; dewijl Hij de groote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met hare hoererij, en Hij het bloed Zijner dienaren van hare hand gewroken heeft.

Openb. 15 : 3. 16 : 7. , peut. 32 : 34. Openb. 18 : 20.

3 En zii zeidpn t.pn twppHpn mooi•

Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid.

Jes. 34 : 10. Openb. 14 :11.18 : 18.

21 En een sterke Engel hief een steen op als een grooten molensteen, en wierp hem in de zee, en zeide: Met zulk een geweld zal de groote stad Babel verworpen en niet meer gevonden worden.

Jer. 51 : 63, 64.

22 En de stem van de zangers en snarenspelers, van de fluitspelers en bazuinblazers, zal niet meer in u gehoord worden, en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden, en het geluid des molens zal in u niet meer gehoord worden,

Jes. 24 : 8. Jer. 7 : 34. 16 : 9. 25 : 10.

Ezech. 26 : 13.

23 het licht van de lamp zal in u niet meer schijnen, en de stem des bruidegoms en der bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uwe kooplieden waren de grooten der aarde; want door uwe tooverij zijn alle volken verleid geworden.

21 Nu hief een sterke engel een steen, groot als een molensteen, op en wierp dien in de zee, zeggend: Eveneens zal de groote stad Babyion met een vaart weggeworpen en nooit teruggevonden worden.

22 Het geluid van citerspelers, muzikanten, fluitspelers en trompetters zal in u nooit meer gehoord worden; geen beoefenaar van eenige kunst zal in u meer worden aangetroffen, en het geluid van den handmolen wordt in u nooit meer vernomen;

23 geen licht op een kandelaar schijnt ooit meer in u, de stem van bruidegom en bruid wordt in u niet meer gehoord; want uw kooplieden waren de grooten der aarde, omdat door uw toovermiddelen alle volken op den doolweg raakten

24 En het bloed der profeten en 24 en in haar gevonden wordt het

der heiligen is in haar gevonden bloed van profeten, heiligen en

geworden, en van al degenen, die allen die geslacht zijn op de aarde, op de aarde zijn omgebracht.

Zegelied over Babels val.

1 Daarna hoorde ik een groote stem eener talrijke schare in den hemel, die, zeide: Halleluja, het heil en de heerlijkheid en de kracht is onzes Gods;

2 want waarachtig en rechtvaardig zijn zijne oordeelen, omdat Hij de groote hoer veroordeeld heeft, die door hare hoererij de aarde verdierf, en Hij heeft het bloed zijner dienstknechten aan haar gewroken.

De lofzang in den hemel.

1 Daarna hoorde ik als een luide stem van een talrijke schare in den hemel zeggen: Halleluja! Het heil, de heerlijkheid en de kracht behooren aan onzen God;

2 want billijk en rechtvaardig zijn zijn vonnissen. Hij toch heeft de groote hoer, die de aarde met haar hoererij bedorven heeft, geoordeeld en het bloed zijner dienaren op haar gewroken.

J zij zeiden ten tweeden male: 3 Andermaal zeiden zij: Halleluja!

Halleluja! En haar rook gaat tot Haar rook stijgt op tot in alle

in alle eeuwigheid op. eeuwigheid.

Jes. 34 : 10.

Sluiten