Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16 En de stad strekte zich in een vierkant uit, gelijk in lengte en in breedte. En hij mat de stad met den staf op twaalf duizend stadiën: haar lengte en haar breedte en haar hoogte waren gelijk.

17 En hij mat haar muur, honderd vier en veertig ellen, menschenmaat, dat is de maat des engels.

18 En haar muur was van jaspissteen gebouwd; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk.

19 De grondsteenen van den muur der stad waren met alle edelgesteente versierd. De eerste grondsteen was jaspis, de tweede saffier, de derde chalcédon, de vierde smaragd,

20 de vijfde sardónyx, de zesde sardion, de zevende chrysoliet, de

acnusLe ueryi, ue negenae topaas, de tiende chrysopraas, de elfde hyacint, de twaalfde amethyst.

21 En de twaalf poorten waren twaalf paarlen, elk der poorten bestond uit één enkelen paarl; en de bestrating van de stad was zuiver goud, gelijk doorzichtig glas.

22 En een tempel zag ik in haar niet; want God, de Heer, de heerscher van het heelal, is haar tempel, en het Lam.

23 En de stad heeft zon noch maan van noode om haar te beschijnen, want de luister Gods verlichtte haar, en haar licht was het Lam.

24 En de heidenen zullen wandelen bij haar licht, en de koningen der aarde brengen haar hun luister.

25 En haar poorten zullen overdag nimmer zijn gesloten, want daar zal geen nacht meer zijn.

26 En zij zullen den luister en de eer der heidenen tot haar brengen.

27 Maar nimmer zal daar binnenkomen iets dat onrein is, of wie gruwel doet en leugen; doch alleen zij die geschreven staan in het boek des levens van het Lam.

16 De Stad nu was vierkant, haar lengte en breedte gelijk. Hij mat de Stad met de roede: twaalfduizend stadiën; lengte, breedte en hoogte gelijk.

17 Hij mat ook de muur: honderd vier en veertig el naar mensenmaat, aan engelenmaat gelijk.

18 De bouwstoffen van haar muur waren van jaspis. — De Stad zelf was van zuiver goud, gelijkend op helder kristal. —

19 De grondvesten van de muur der Stad waren met allerlei kostbare stenen gesierd. De eerste grondvest was jaspis, de tweede saffier, de derde chalcedon, de vierde smaragd,

20 de vijfde sardonyx, de zesde kornalijn, de zevende chrysoliet, de achtste beryllus, de negende topaas, de tiende chrysopraas, de elfde hyacint, de twaalfde ame-

tyst. —

21 De twaalf poorten waren twaalf paarlen; iedere poort op zich één paarl. — Het plein der Stad was louter S'oud. doorschii-

iienu CLIÖ Kiiaiai.

Zaligheid der bewoners. 22 Maar een tempel zasr ik er

niet; want de Heer, de almachtige God, is haar tempel; zo ook het Lam.

23 Ook heeft de Stad de zon niet van node, noch de maan, om haar te beschijnen; want de Glorie van God doet haar lichten, en het Lam is haar fakkel.

24 De volkeren zullen wandelen in haar licht, de koningen der aarde haar hun heerlijkheid brengen.

25 Geen enkele dag zullen haar poorten worden gesloten; want nacht zal er niet zijn.

26 Zo zal men haar brengen de heerlijkheid en de glorie der volken.

27 Nooit zal er ingaan, iets wat onrein is, noch die gruwelen pleegt of leugens spreekt; maar zij alleen, die staan geschreven in het boek des Levens van het Lam.

16 En de stad lag in het vierkant en haar lengte was even groot als haar breedte; en hij mat de stad op met den stok: twaalf duizend stadiën; haar lengte en haar breedte en haar hoogte waren gelijk.

17 En hij mat haar muur op: honderdvierenveertig el, mensenmaat, die engelenmaat is.

18 En de bouwstof van haar muur was diamant; en de stad was zuiver goud, gelijk zuiver glas.

19 En de fundamenten van den muur der stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het eerste fundament was diamant, het tweede robijn, het derde lazuursteen,

20 het vierde smaragd, het vijfde sardónyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliét, het achtste beril, het negende goudtopaas, het tiende chrysopraas, het elfde saffier, het twaalfde amethyst.

21 En de twaalf poorten waren twaalf paarlen: iedere poort afzonderlijk was uit één parel, en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorschijnend glas.

22 En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam.

23 En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam.

24 En de volken zullen bij haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in haar;

Jes. 60 : 3.

25 en haar poorten zullen niet gesloten worden des daags, want daar zal geen nacht zijn;

Jes. 60 : 11.

26 en de heerlijkheid en de eer der volken zullen In haar gebracht worden.

27 En in haar zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, doch alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam.

1 En hij toonde mij een stroom van levenswater, helder als kristal; deze kwam te voorschijn uit den troon van God en van het Lam.

2 En in het midden van haar straat, aan den stroom, aan deze en gene zijde, stond geboomte des levens dat twaalfvoudig vruchten droeg, iedere maand zijn vrucht opbrengend. En de bladeren van het geboomte zijn tot genezing van de heidenen;

3 en er zal geen banvloek meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal in haar staan. En zijn knechten zullen Hem vereeren,

4 en zij zullen zijn gelaat aanschouwen; en zijn naam zal op hun voorhoofd staan.

Het hemels Paradijs.

1 Ook toonde hij mij een stroom van het water des Levens, helder als kristal, opbruisend uit de Troon van God en het Lam.

2 En midden op haar plein, aan beide kanten door de stroom omringd, stond de boom des levens, die twaalf maal vruchten draagt, en elke maand zijn vruchten geeft. De bladeren van de bomen dienen tot genezing der volken;

3 en geen enkele vervloeking zal er meer zijn.

Zaligheid der bewoners. 4 Daar zal ook de Troon zijn van God en het Lam, en zullen zijn dienaars Hem dienen. Ze zullen zijn Aanschijn aanschouwen, zijn Naam op hun voorhoofd.

1 En hij toonde mij een rivier 7? van water des levens, helder als

kristal, ontspringende uit den troon van God en van het Lam.

Ezech. 47 :1.

2 Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren.

3 En geen vervloeking zal er meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Hem vereren,

4 en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn.

Sluiten