is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. Herman Bavinck

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telde nog maar zeven jaar. Daarenboven hadden de Bavincks iets stils over zich. Zoo ging menige maaltijd voorbij, zonder dat een woord werd gewisseld. En vooral als er vrienden bij waren kon B a v i n c k soms heel kort zijn. Was hij in druk gesprek met anderen gewikkeld en kwam zijn vader binnen, dan zweeg hij weldra. Dit is weieens in voor hem ongunstigen zin uitgelegd. Doch de schijn loog ook hier. Zeker, het conflict tusschen zijn cultureele vorming en de min of meer anti-cultureele levenshouding in het ouderlijk huis droeg hiertoe het zijne bij. Maar het was vooral een kwestie van geaardheid. B a v i n c k vond het allerminst gezellig gezellig te moeten zijn. Tegenover vreemden was hij dit wel verplicht. Tegenover eigen niet. Hij genoot er zoo in, als niets hem van eigen gedachten afleidde. Overigens achtte hij zijn ouders hoog en had hen lief. Voor het heldere doorzicht van zijn vader had hij respect. De moederlijke zorg stelde hij zeer op prijs. Hij schrijft eens zoo echt aan zijn Leidschen vriend: „Heden is moeder jarig". En hoe zeer hij aan het ouderlijke huis was gehecht, bewijst hij niet het minst in de dagen na zijn doctoraal.

Zijn voorname afleiding bestond in het uit „preeken" gaan. Het regende uitnoodigingen. Meestal legde hij ze ter zijde. Maar de gevallen, waarin hij een uitzondering maakte, schijnen niet weinige te zijn geweest. In denzelfden brief, waarin hij aan S n o u c k Hurgronje zijn blijdschap betuigt, dat deze bij zijn doctoraal „cum" heeft gekregen (de eerste in de literarische faculteit!) en dat daarmee „de overgeeflijke fout der theologische faculteit" is hersteld, laat hij er zich aldus over uit: „Ik krijg zoo verbazend veel preekverzoeken, soms drie tegelijk voor één Zondag, dat het me waarlijk tot last wordt. Een enkele maal, als weigering ondoenlijk is, neem ik het aan; anders sla ik ze geregeld af. Inzoover zijt ge wel gelukkig, dat ge u onverdeeld aan de studie wijden kunt. Toch, ik klaag er niet over, in 't practische leven op te treden heeft dikwerf veel. nut voor ons zeiven en de gedachte, ook voor anderen nuttig te zijn, bevat een rijken troost. Non ut nobis vivamus — las ik dezer dagen in Zwingli — nati sumus, sed ut omnibus omnia fiamus".1)

J) D.i. wij zijn niet geboren opdat wij onszelven leven, maar opdat allen alles worden.