is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. Herman Bavinck

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oude theologen tot de regina, de koningin der wetenschappen. Voor de eer der Theologie loopt hij warm en hij bezingt haar lof in de hartstochtelijke woorden: „Wat spreekt men dan, dat de Theologie geene wetenschap zou zijn? Is het haar te wijten, dat anderen niet waarnemen, wat door den geloovige wordt aanschouwd en daarom haar dezen naam betwisten? Zij is de wetenschap, „Regina scientiarum". Hoog staat zij boven alle wetenschappen. Want deze alle hebben slechts een speciaal gebied der schepping tot voorwerp van haar onderzoek. Zij houden zich alle bezig met den kosmos of den anthropos, en verkeeren dus alle omtrent het schepsel. Maar deze onze wetenschap laat ze verre achter zich, vestigt van het schepsel af op den Schepper het oog. Uit God geboren, heeft zij ook Hem zeiven tot voorwerp. Evenals ze naast andere wetenschappen een eigen beginsel had, zoo heeft zij ook een eigen, duidelijk aanwijsbaar object, dat, daar het niets anders is dan God zelf, de Schepper en Onderhouder aller dingen, der Theologie aanspraak geeft op de eereplaats in den kring der wetenschappen. Geen dieperen smaad en geen snijdender hoon M. H. konden dan ook de Theologen in de laatste jaren hun eigen wetenschap aandoen, dan om met ootmoedigen knieval aan de andere wetenschappen eene plaatse in heur kring ook voor de Theologie te begeeren. Niet als gunste, maar als recht komt haar de eerste, de eereplaats toe. Wil men haar die niet afstaan, dat ze dan te fier zij, om tot slavin zich te verlagen. Eene koningin blijve ze, ook als zij gesmaad wordt".1)

Voor den kring, waarvoor hij optrad, was dit evenals voor hemzelf een nieuwe lente en een nieuw geluid. Vooral de heureka-toon maakt hier de muziek. De arbeid van Kuyper was — men zie hiervoor ook de aanteekeningen achter zijn oratie — niet aan hem voorbijgegaan.

Nog even dient attentie geschonken aan een zinsnede in het begin van zijn oratie, waarin hij een vriendelijkheid aan het adres van prof. Rauwenhoff plaatst. Hij zegt van hem: „dien ik nog altijd dankbaar mijn hooggeachten leermeester noem".2)

1) z.w., bl. 33 v. Ook op dit punt zullen zijn denkbeelden zich later eenigszins wijzigen.

2) z.w. bl. 5.