Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehandhaafd, dat de Ethische theologie subjektivistisch was,1) alsook dat de Ethischen tegen het protest van Gunning in wel degelijk een richting vormden. Omtrent dit laatste punt zegt hij in een noot: „Meermalen is door U het bestaan van zulk eene „ethische partij" ontkend. Maar m.i. hebben de zoogenoemde Ethische Godgeleerden wel ter dege een eigen theologisch en kerkelijk beginsel, onderscheiden van dat der orthodoxe, Groninger, moderne Theologie en vormen dus eene zelfstandige richting. Ik bezig den naam, zonder daarin op zichzelf eenige afkeuring of minachting te leggen, alleen ter aanduiding van eene feitelijk bestaande theol. richting (niet: partij)".2)

Een jaar later bekampte hij de Ethische theologie van een geheel andere zijde. Prof. Gunning had in zijn perstoernooi met B a v i n c k het reeds uitgesproken, dat zijn verdediging van De la Saussaye wel niet veel baten zou. Als reden daarvoor gaf hij op : „Ook de erkenning van geestelijke dingen heeft haar bepaalden tijd. Thans is het om vele redenen de tijd der beginselen, aan die van De la Saussaye tegenovergesteld".») Het was ook voor B a v i n c k s scherpziend oog niet onopgemerkt gebleven, hoe vele Ethischen, met name de jongeren onder hen in frontverandering heil hadden gezocht. Zij ontworstelden zich hoelangszoomeer aan den invloed van Schleiermacher en V i n e t, om zich te orienteeren naar R i t s c h 1, die het Neo-kantianisme huldigde, maar tegelijk vele ideeën ontleende aan de wijsbegeerte van L o t z e. In zijn artikel over „Het dualisme in de Theologie" verklaarde B a v i n c k dan ook, dat de speculatieve Bemiddelingstheologie haar tijd had gehad. „De beschaafden zijn door deze Bemiddelingstheologie niet gewonnen ; de geleerden hebben aan dit uit de gedachte geconstrueerde Christendom den rug toegekeerd, en het wetenschappelijk karakter der Godgeleerdheid is er lang niet door boven allen twijfel en ontkenning verheven. Steeds meerderen hebben gemeend dezen weg der speculatie te moeten verlaten en den vasten weg der empirie,

») bl. 226.

2) bl. 222, 223.

3) Jg. 1884 bl. 218.

Sluiten