Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren geopperd. Op 10 Sept. 1901, zoo zegt hij, werd onverwacht een grondslag gevonden. „Aan den avond van dien dag was er blijdschap in het hart, rees er een danktoon van de lippen en ging er een moedgevend bericht naar de pers. Die blijdschap is op de volgende vergaderingen vrij wat getemperd. Het indienen van allerlei amendementen noodzaakte tot een schikken en plooien, dat op niemand een hartverheffenden indruk maakte en het weinigje geestdrift aanmerkelijk bekoelen deed".Hij doet vooral scherp uitkomen, dat dit stuk niet meer dan een advies is en dat de kerken volle vrijheid hebben ermee te handelen volgens hun overtuiging. En ook, dat de onderteekening der broederen alleen inhoudt, dat de eenheid der opleiding naar hun meening het best op de door hen voorgestelde wijze verkregen kan worden.1) Als dit een aanbeveling van het „Advies" mag heeten, is het wel een zeer slappe. De professoren Noordtzij en Lindeboom en Ds. P. J. W. Klaarhamer weigerden er hun naam aan te geven. De eerste riep zelfs allen, die zijn bezwaren deelden, den 9den April tot een samenkomst te Utrecht saam, waar de verwachting werd uitgesproken, dat de Kerken het concept contract zouden verwerpen. En, gelijk B a v i n c k later zelf bekent: „Zelfs was ik tegenover de actie door mijn ambtgenoot Noordtzij op touw gezet, niet zoo onvriendelijk als anderen gezind."B a v i n c k zou zijn onderteekening handhaven, maar indien de kerken oordeelden, dat de School zelfstandig moest blijven voortbestaan, was hem dat zeer wel.2) Intusschen werd er menige bedenking tegen het concept-contract aangevoerd. De predikanten J. Westerhuis en A. L i 11 o o y namen nu hun handteekening terug. Men drong er bij B a v i n c k op aan, dat hij met warmte en kracht het „Advies" zou verdedigen. Hij dacht er echter niet over. Wel bestaan er voor hem, zoo verantwoordt hij zich, geen afdoende redenen om op zijn stem terug te komen. Hij zou bijna geneigd zijn te zeggen, dat elk voorstel op zijn steun kan rekenen, dat broederlijke samenwoning en kerkelijken vrede ons schenkt. Voor zichzelf blijft hij de voorkeur geven aan zijn voorstel van 1899. Maar hij blijft er geenszins op staan als de kerken toonen er niet van gediend te zijn. Hij wenscht, dat er een einde kome „aan het ellendig en kleinzielig geknutsel»

!) Jg. 1902, no. 10 (7 Mrt.).

a) Blijven of Heengaan? O. Ph. Zalman, Kampen, 1902, bl. 10.

Sluiten