Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen de historisch inductieve methode, maar onderstelt toch zin voor het religieus leven bij het onderzoek en brengt alzoo een idee van religie met zich.1) Uit de school van R i t s c h 1 verzet men zich daartegen wel, H a r n a c k bepleit het behoud der oude faculteiten, maar waar men daar de scheiding huldigt tusschen theologie en metaphysika, houdt men voor de dogmatiek niets anders over dan een op allerlei wijze beperkte ervaring. Zij wordt onschadelijk gemaakt als getuigenis van persoonlijk geloof.2) Zoo zegevieren dan empirisme en positivisme. Toch verzetten de godsdiensten zelf zich tegen de neutraliteit, waarmede naar veler beweren hun onderzoek behoort te worden ingesteld. „Zelfs ten aanzien der kerken, die op gemeenschappelijken Christelijken grondslag staan, is dit indifferentisme niet vol te houden." „Gelijk heel onze cultuur, zoo is in het bijzonder de wetenschap niet slechts op algemeen godsdienstige, maar bepaald op Christelijke onderstellingen gebouwd "3) Daarom mag men de theologie niet uit de wetenschap zetten. Deze eischt juist met kracht: „zet gij liever de palen uwer wetenschap en de grenzen van uwe nauwe universiteit wat uit. 4) Van geen enkele wetenschap is de theologie de vijandin. En nu staan godsdienst en godgeleerdheid niet tot elkander als moeder en dochter, veel minder nog als dochter en moeder. Veeleer zijn ze twee zusters. Ze zijn aan Maria en Martha gelijk. Jezus had ze beide lief. Wederzijdsche zelfstandigheid doet echter onderlinge verwantschap en samenwerking niet te niet.6) Aan haar wetenschappelijkheid behoeft het confessioneel karakter der theologie geen afbreuk te doen.) In zijn toespraak tot Heeren Directeuren verklaart hij: „Vanwege de zedelijke gebondenheid, die ik gevoelde aan de kerk, waarin ik geboren ben, en aan de School, die door haar werd gesticht, ontbrak mij in vroegere jaren de vrijheid, om eene benoeming, een en andermaal door U op mij uitgebracht, op te volgen". Blijkbaar generaliseert hij hier de^vorige benoemingen. Immers èn in 1»»9

1) BI. 26, 28.

2) BI. 32 v.

3) BI. 39 v.v. *) BI, 51.

S) BI. 56 v.

«) BI. 59.

Sluiten