Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenheid van alle deze onderscheidingen in de scheppende daad. Van de moderne theologie geldt, helaas, veelszins hetzelfde. De onvruchtbare scheiding tusschen Jezus' woord en daad, zijn persoon, of persoonlijkheid, en historische verschijning; ook de herleiding van deze verschijning tot den drager van het woord of tot dit woord — het schiet alles te kort bij de praegnantie van wat de incarnatie als daad van scheppende activiteit in woord brengt. ,,Edle Naturen zahlen mit dem was sie sind" heeft Schiller gezegd. Dit geldt in eminenten zin ten aanzien van Hem, wiens actie als incarnatie wordt aangeduid.

Ook in een ander opzicht kan de term incarnatie praegnant worden genoemd. Als de incarnatie een offer beteekent, een daad van zelf-verloochening en vernedering, wordt deze door het woord vleesch-wording veel scherper geteekend dan door mensch-wording, of zelfs door aanneming van een lichaam. Men zou het woord lichaam kunnen noemen de aanduiding van den vorm, waarvan het vleesch de stof vormt. Het lichaam is de organisatie van het vleesch. Het heft dit op en bevrijdt het. Van daar dat het woord vleesch de aanduiding pleegt te zijn van den mensch in zijn zwakheid en gebondenheid en ten slotte van zijn zinnelijkheid en zondigheid. Al deze beteekenissen vinden wij in het bijbelsche en kerkelijke spraakgebruik terug. Vooral bij Paulus is het woord vleesch belast met de waardeering van zwakheid en zondigheid.

Intusschen moeten wij wèl onderscheiden tusschen de Israëlietische en de Hellenistische opvatting van het vleesch. Voor de eerste zijn het vleesch, de stof, het lichaam als zoodanig niet zondig of slecht, omdat zij uit de hand van den Schepper zijn voortgekomen. Voor de laatste ontbreekt deze onderstelling en stuit de geest, d. i. de vrijheid en redelijkheid, altijd op eene oorspronkelijke stof, die gebonden en onredelijk is. Vandaar dat de incarnatie van Gods Zoon wèl beteekent, dat Hij de menschelijke bestaanswijze heeft aanvaard, zonder voorbehoud, ook ten aanzien van de zwakheid, waaraan de mensch om der zonde wil is onderworpen, tenzij dan met één belangrijk voorbehoud, dit, dat Hij de zonde niet heeft aanvaard, hetzij in aanleg of in werkelijkheid. Er is in den Bijbel sprake van „het gelijk gemaakt zijn aan het zondige lichaam",') van een hoogepriester „die in alle dingen gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde". 2) Hóe ver ook de incarnatie ga,

*) Rom. 8 : 3. 2) Hebr. 4 : 15.

Sluiten