is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te spreken, als het gaat om theologische bezinning en hare methode.

Men kan dit wraken als on-werkelijk. Maar ik vraag, welke dan de onwraakbare „werkelijkheid" is, aan welke men het toetst? Toch niet die van de z.g. empirische werkelijkheid, zooals zij reilt en zeilt, zonder norm en ideaal?

Men kan het ook oncritisch noemen. Maar elke critiek, welke ook, moet zich beroepen op laatste gronden, waarvan zij, gehoorzaam en vertrouwend, uitgaat. Een beroep op een formeele grootheid, als denkwet of categorie, is niet voldoende; reeds omdat zij louter formeel is, geabstraheerd van de werkelijkheid. Het is niet oncritisch met deze werkelijkheid, als primair, rekening te houden. Oncritisch is het, als men dit doet zonder te beseffen, dat men het doet en zonder zich rekenschap te geven, waarom men het doet; vooral zonder zich rekenschap te geven van den aard der werkelijkheid en van haar verband met het besef van haar. Het gaat niet aan het monopolie van critisch op te eischen voor eene bepaalde methode van critiek van logischen of idealistischen aard. Trouwens, de wijsgeerige bezinning van onzen tijd is volstrekt niet eenparig bereid zich terug te trekken tot en uit te gaan van het ik, het bewustzijn, het denken als laatste grootheid. Velen rekenen weer met de concreete gegevenheid van het zich-bevinden-in, het geworpenzijn, het in-betrekking-staan, zooals b.v. Heidegger dit ontwikkelt. Het is een soort van geraffineerde naïeveteit, als Heidegger oordeelt: „Die Frage der Existenz ist immer nur durch das Existieren selbst ins Reine zu bringen" x) en gaarne gebruik maakt van de figuur van den cirkel. Hoe ver men explicite moge komen, men komt toch niet verder dan wat implicite was ondersteld. Op dezelfde wijze ontwikkelt Jaspers zijne methode, als hij in zijn aan Kierkegaard ontleend taaleigen de existentie in het middelpunt plaatst, het bestaan van den mensch, dat schommelt tusschen het eindige en het oneindige, den tijd en de eeuwigheid, het wordende en het eeuwige, tusschen wat is en wat moet zijn. Dit is de eigenlijke werkelijkheid, waarbij vergeleken de z.g. natuurlijke slechts schijn is, en die zich tot geen prijs laat herleiden tot de formeele orde van het bewustzijn of het denken. De wijze, waarop Jaspers verschillende zijns-vormen onderscheidt, als „Objekt-sein", „Ich-sein en „Ansich-sein", en in verband daarmede drie ken-wijzen ontwikkelt:

*) Martin Heidegger, Sein und Zeit, ie H2 1929, S. 12.