Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit re-incarnaties. Het zijn even zoovele fazen van het levensen wereld-proces. Hierin neemt de Christus een centrale plaats in. Hij is de „kosmische Wesenheit", de groote natuurkracht, de mythisch voorgestelde verbinding van den zonne-logos met Jezus van Nazareth.

Deze anthroposophische mythe, die de „Christengemeinschaft" met het historische Christendom en zijne geestesgesteldheid tracht te vereenigen, vormt een merkwaardige verbinding van zeer diverse bestanddeelen, een soort van cosmische ontwikkelingsleer met geestelijken inslag. Zij is vol van re-incarnaties, verbindingen van hoogere en lagere sferen, geestelijke en stoffelijke elementen in de tallooze perioden van aarde en menschheid. Vandaar dat de reïncarnatie-leer voor Rittelmeyer zoo centraal is. Hij erkent zelf, dat hij haar aan Steiner heeft ontleend. Evenzoo, dat zoowel een overtuiging van de incarnatie mogelijk is zonder Christendom als een Christendom zonder reincarnatie-opvatting ,,Nur dies kann man sagen, dass die Christengemeinschaft die erste Christliche Gemeinschaft ist, innerhalb derer der Wiederverkörperungsgedanke frei vertreten werden kann, aber immer als persönliche Anschauung und Erkenntnis" *). Zoo geeft dan Rittelmeyer zijne reïncarnatieleer. Ook hier moeten wij dus zeer voorzichtig den term incarnatie gebruiken. Zij behoort tot eene andere orde dan de incarnatie van het Christendom, dat eenzaam staat met de pretentie van zijn uniek en soteriologisch karakter.

De moderne astrologie neemt in dit verband slechts de plaats van een grensverschijnsel in. Trouwens, ook in de oudheid was dat het geval ten opzichte van de groote stroomingen, die wij hebben genoemd. Voor haar vormt het universum, het heelal, een geestelijkstoffelijk-geheel. Het eerste bestanddeel manifesteert zich in het tweede. Alles staat met alles in verband, want één wet beheerscht het geheel der dingen. Maar de leiding is in de hoogte, in het zonnestelsel. En de practijk der astrologie bestaat in het berekenen van den invloed van den stand der hemellichamen op het lot van mensch en aarde. Hierbij kan men van incarnatie spreken, maar de zin van het woord wijkt wel ver af van wat als onderstelling daarvan mag worden aangenomen. Stof en geest zijn voor deze theorie zóó

l) Friedrich Rittelmeyer, Wiederverkörperung im Lichte des Denkens, der Religion, der Moral 1931, S. 7. Vgl. Adolf Müller, Werdestufen des Glaubensbekenntnisses, (Theologie und Kultur H 5) 1932.

Sluiten