Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blijft de distantie tusschen God en mensch tot eiken prijs gehandhaafd of schemert aan het eind de vergoddelijking, zoo niet de vergoding van den laatste ? Is af-hankelijkheid het beslissende woord of aan-hankelijkheid? Passiviteit of activiteit? Verloopt het geestelijke leven geleidelijk of is er sprake van een crisis, een catastrophe, hier reeds of uiteindelijk? Zie hier vragen, die voor ons onderwerp van groote beteekenis zijn. De beteekenis van incarnatie als innige verbinding of als ineenvloeiing; van incarnatie als eens voor altijd of als eindeloos herhaald hangt ten nauwste samen met de voorstelling aangaande den aard der betrekking tusschen God en mensch en de wijze, waarop deze, collectief en individueel, tot stand komt en in stand blijft.

Ook hier zijn grenzen, evenals bij de bepaling van de algemeene gegevens. Eene uitdagende geesteshouding, waarbij, zooals Nietzsche het uitdrukt, „der Wille zur Macht"1) als de hoogste van den mensch geldt, sluit elke religie uit, omdat hier elke binding ontbreekt. Daartegenover teekent de „Ehrfurcht vor dem Leben" van Schweitzer 2) zich als religieus-ootmoedig af. Toch is het de vraag, of deze religiositeit beantwoordt aan den eisch, dien wij meenden te moeten stellen om van religie te kunnen spreken, dien van het anders-dan, hooger-dan. Zoo blijkt ons weer de moeilijkheid om grenzen te trekken. Bepaaldelijk een cry is hiertoe uiterst ongeschikt. Veeleer toont de levende godsdienst, zooals hij zich in groote afmeting en breeden stijl ontwikkelt, wat den godsdienst tot godsdienst maakt. Wij zullen dus wèl doen door ons te laten voorlichten door de godsdienstgeschiedenis, als wij zoeken naar sporen of vormen van incarnatie. Daar zullen wij kunnen ontdekken wat zij voor den godsdienstigen mensch is en waard is.

II. LEVEND VERBAND

Dit is, met andere woorden, onze vraag in levend verband stellen. Het is tegenwoordig moeilijk in dit verband het woord existentieel te vermijden. Zóó zeer is dit uit den taalschat van Kierkegaard in het algemeene gebruik overgegaan. Er is ook geen reden tot mijding. Kierkegaard heeft juist, in onderscheiding van het voor hem gangbare gebruik van het woord, dit bepaaldelijk op het

1) Friedrich Nietzsche, Der Wille zur Macht. Versuch einer Umwerthung aller Werthe.

2) Albert Schweitzer, a. a. O. S. XV li.

Sluiten