Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV

CHRISTELIJKE ONDERSTELLINGEN

I. IN HET ALGEMEEN

Het Christendom gaat uit van eene twee-heid, ook wanneer het uitgaat van God. Want het is niet mogelijk over God als God, zonder meer te spreken. Wie over dezen spreekt of denkt is een mensch en het is dus alleen krachtens de relatie tusschen God en den mensch, zooals deze door openbaring en geloof bestaat, dat er van God — en natuurlijk nog veel meer van den mensch — sprake kan zijn. Wij kunnen niet teruggaan achter onze geschapenheid en uit het verband der schepping treden. Dit ware alleen mogelijk, als wij hetzij niets, hetzij God konden worden. Deze twee-heid is als zoodanig geen tegen-strijdigheid. Zij is de onderscheiding tusschen God en het werk zijner handen.

Wat wij bedoelen komt duidelijk uit, als wij tusschen relatie en correlatie onderscheiden. Bij het laatste denken wij aan eene verhouding, waarbij de beide leden met elkander staan of vallen. Komt het eene lid tot stand, dan tegelijk ook het andere. Houdt het ééne op te bestaan, dan bestaat ook het andere niet langer. Correlatie is dus gelijk aan polariteit. Maar relatie behoort tot eene andere orde. Er is eene betrekking, maar er is niet gezegd, hoe deze is ontstaan en op welken voet zij bestaat. Welnu, de betrekking tusschen God en mensch naar de Christelijke visie is van dien aard, dat zij volkomen proprio motu door God is gelegd en wordt in stand gehouden, eenvoudig omdat en zooals Hij het wil. Wij drukken dit uit door het woord schepping, waarbij dit woord niet een temporeelen, maar een qualitatieven zin heeft. Het is niet alleen zaak van geschapen-zijn, maar van geschapen-heid onzerzijds. Het is van Gods zijde niet alleen zaak van geschapen-hebben, maar van Schepper-zijn. Het is geen gebeurtenis, maar een daad; niet een besluit, maar eene handeling. Wat wij als Voorzienigheid van schepping onderscheiden is niet anders dan eene creatio continua, zooals de oude dogmatiek het uitdrukt, een voortdurende schepping. Wij staan hier aan de grens. Maar wij weten, dat er een grens is en eene overzijde en dat van de overzijde deze grens is getrokken en ons van daaruit onze plaats is aangewezen. De wijsbegeerte heeft altijd weer getracht hetzij deze grens uit te

Sluiten