is toegevoegd aan je favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch en aan de groepen van menschen in eeuwigheidsverband, d. i. aan de Kerk.

Dit geldt van de directe beteekenis der incarnatie. Naast deze staat de indirecte, de betrekking van den mensch tot zijn naaste en de schepping, waardoor hij met deze medeleeft in al haar geledingen. Dit is de diepe zin van wat men in de kerktaal heeft bedoeld met de uitdrukking: amare in Deo, in God liefhebben, d. w. z. iets liefhebben, omdat God het liefheeft. In zooverre beteekent de incarnatie, als daad der bemoeiing met deze wereld tot het vleesch toe, een onbegrensde sfeer van wat om Gods wil kan en moet worden behartigd. Dit is eenerzijds niet slechts symbolisch, andererzijds ook niet sacramenteel bedoeld, maar in den zin van het geloofsrealisme, zooals Paulus het uitdrukt: „Alles is het uwe, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige of toekomstige dingen, doch gij zijt van Christus en Christus is van God." *) Deze Christus is voor Paulus de geïncarneerde Zoon van God.

IV. GEEN PLAATS VOOR DE INCARNATIE

Wij hebben in een ander verband reeds bevonden, dat de algemeen menschelijke onderstellingen kunnen ontbreken, waarin de incarnatie wordt opgevat. Evenzoo kunnen de specifiek godsdienstige onderstellingen in gebreke blijven, bepaaldelijk ten aanzien van den vorm, dien de incarnatie in het Christendom heeft aangenomen. Als de categorieën van schepping en voorzienigheid, van openbaring en geloof, van zonde en oordeel, van verlossing en verheerlijking niet aanwezig zijn, kan de incarnatie geen plaats vinden. Zij zoekt geen kader, waarin zij kan worden vastgelegd, maar wèl een bedding, waarbinnen zij zich kan bewegen. Ook als de godsdienst zóó zeer in betrekkelijke verhoudingen wordt opgevat, dat elke mededeeling van hooger leven een vorm van incarnatie is of geacht wordt zich in den vorm van re-incarnaties te ontwikkelen, is de incarnatie een outlaw, die dreigt een outcast te worden.

Daarom vinden wij b.v. in de theologie van Dr. Bruining, zooals wij reeds opmerkten, geen plaats voor de christologie en dus ook niet voor de incarnatie. Is de menschwording van Gods Zoon slechts een idee, een ideaal, dat zich gehecht heeft aan een historische of legendarische figuur, die het mensch-zijn, ook het godsdienstig-

*) 1 Cor. 3 : 21—23.